Webdagboek Jan de Korte
Als één van de predikanten van de Protestantse Wijkgemeente Emmen-Oost noteer ik hier gedachten opgedaan bij mijn werk als gemeentepredikant. Deze pagina is te lezen op de website van Emmen-Oost en op mijn eigen website, www.jandekorte.nl, waarop ook veel van mijn schilderijen te zien zijn. Reacties zijn altijd welkom.
donderdag 26 januari 2012
Gedichtendag
Vandaag is het gedichtendag. Het zal wel, maar het is in ieder geval een mooie aanleiding een gedicht te plaatsen. Ik hoorde net -dankzij gedichtendag- Ramsey Nasr een gedicht van E. du Perron mooi voorlezen. Het doet me denken aan de waarschuwingen die we bij Zijnsoriëntatie altijd krijgen voor de pre-trans verwarring, de idealisering van de zogenaamde onbedorven kinderziel. In veel (new age-achtige) therapie zit de suggestie dat we terug zouden moeten naar die onbedorven staat. Als we alles wat aangekoekt is er maar afkrabben, zijn we eindelijk de mens die we echt zijn. De gedachte zit ook in bepaalde opvattingen over het paradijsverhaal of in de verheerlijking van het geloof van onze kinderjaren. In het gedicht heet het een leugen, de romantisering en de idealisering van de kindertijd. Hoe dan wel? Ik laat het even bij de vraag, het is vandaag gedichtendag en we luisteren naar E. du Perron.
Het kind dat wij waren
Wij leven 't heerlikst in ons vèrst verleden:
de rand van het domein van ons geheugen,
de leugen van de kindertijd, de leugen
van wat wij zouden doen en nimmer deden.
Tijd van tinnen soldaatjes en gebeden,
van moeder's nachtzoen en parfums in vleugen,
zuiverste bron van weemoed en verheugen,
verwondering en teerste vriendlikheden.
Het is het liefst portret aan onze wanden,
dit kind in diepe schoot of wijde handen,
met reeds die donkre blik van vreemd wantrouwen.
't Eenzame, kleine kind, zelf langverdwenen,
dat wij zo fel en reedloos soms bewenen,
tussen de dode heren en mevrouwen.
dinsdag 3 januari 2012
Veilig
'Balsem voor de ziel', zo reageerde iemand eens toen ik in een groep getuigde van mijn enthousiasme voor een deel uit een werk van Karl Barth. Momenteel lees ik 'Religie is ongeloof', ik kan het moeilijk helemaal gaan overschrijven, maar hier dan een paar zinnen waar mijn hart van opengaat. Het verrukt me nog meer als ik bedenk dat dit 'ergens' op de paar duizend pagina's van de Kirchliche Dogmatik staat, geschreven in de jaren dertig van de vorige eeuw. Lees ze, proef ze, en laat je vallen, vlieg, zonder houvast, leef.
Sterke menselijke posities zijn altijd alleen die die tegenover God volledig zijn prijsgegeven, dat wil zeggen die posities waarvan men heeft ingezien dat ze, gemeten aan zijn wil en oordeel, volkomen onhoudbaar zijn. Wij handelen ook met het oog op ons zijn en onze werken nooit wijs, maar altijd onwijs, als we ons in het kleinste schuilhoekje van ons zijn en onze werken tegenover God verschansen en denken ons in veiligheid te brengen. Niet alleen onze veiligheid voor God, maar ook en juist de veiligheid van ons zijn en onze werken en dus ook onze veiligheid in relatie tot de mensen berust enkel en alleen hierop, dat we inzien dat zulke beveiligingen in het geloof en door het geloof onmogelijk zijn.
zaterdag 24 december 2011
'Jauchzet, frohlocket'
Een man gaat achter de piano zitten en begint te spelen, her en der beginnen mensen te zingen. Het blijkt het eerste deel van het Weihnachtsoratorium van Bach te zijn. Het gebeurt midden in de Centrale Bibliotheek van Utrecht als een flashmob, iets onverwachts op een ongebruikelijke plaats door schijnbaar willekeurige aanwezigen uitgevoerd. In dit geval leden van het Toonkunstkoor Utrecht en de bibliotheek zelf wist ervan. Voor de aanwezige bezoekers heel verrassend, door hen ook gewaardeerd. Voor wie er toevallig niet was is het allemaal gefilmd. Klik hier om getuige te zijn.
zaterdag 17 december 2011
Wachten
Wachten is een vorm van stil zijn. In deze drukke tijd voor kerst is het goed om zo nu en dan de waarde van wachten te bedenken. We zijn druk doende -ook in de kerk- om kerst dichterbij te brengen, kaarsjes, bomen, sterren, groeten. Mooi, goed om samen te doen, intussen kunnen we de indruk krijgen dat wij zelf het licht zo dichterbij brengen. Dan is het mooi om dit gedicht van Vasalis te lezen als een adventsgedicht, over wachten waarin geen minuut verloren gaat.
Eb
Ik trek mij terug en wacht.
Dit is de tijd die niet verloren gaat:
iedre minuut zet zich in toekomst om.
Ik ben een oceaan van wachten,
waterdun omhuld door 't ogenblik.
Zuigende eb van het gemoed,
dat de minuten trekt en dat de vloed
diep in zijn duisternis bereidt.
Er is geen tijd. Of is er niets dan tijd?
zaterdag 3 december 2011
'Religie is ongeloof'
Het hoofdstuk uit de Kirchliche Dogmatik van Karl Barth waarin hij betoogt dat het religiebegrip dat in het protestantisme in de afgelopen eeuwen is ontwikkeld een ketterij is, is in het Nederlands vertaald. Het begrip heeft in feite de functie niet te hoeven geloven, de sprong in het diepe niet te hoeven maken. Ik ging het boek afhalen bij de boekhandel en de boekhandelaar zei iets over de aparte titel. Ik vertelde hem iets over de herkomst van het boek, buiten gekomen had ik natuurlijk een veel mooier verhaal in gedachten. Over een hoofdstuk dat baanbrekend is geweest in de geschiedenis van de protestantse theologie van de twintigste eeuw, maar nog steeds even actueel en scherp is. Niet omdat onze situatie lijkt op die van de jaren dertig van de vorige eeuw, maar omdat wat hier betoogd wordt de kern is van geloven en van alle ware spiritualiteit. Religie betekent hier houvast zoeken, door betekenis te geven aan dingen die geen betekenis hebben, door dingen mooier te maken dan ze zijn, door onze verlangens en idealen een grond van waarheid te geven in ons eigen denken en bestaan. Geloof betekent hier de sprong maken, het wagen met zo het is, leven in vertrouwen zonder grond, kunnen leven met al het onaffe, de rafels in je leven en in je wereld. En ontdekken dat daarin de vrijheid en het leven ligt, waaraan het evangelie ons steeds herinnert en waarvan Jezus de voorganger, de mogelijkheid en de werkelijkheid, is.
woensdag 23 november 2011
Hans Knibbe
Ik volg een opleiding aan de School voor Zijnsoriëntatie. De bedenker en oprichter van die school is Hans Knibbe. Een interview met hem stond in de Koorddanser. Zijn nuchterheid spreekt me aan, een nuchterheid die spiritueel vertaald wordt als 'nergens in geloven' en 'niet religieus zijn'. Ik lees het in de lijn van mijn leermeester Barth, 'religie is ongeloof'. Geloven betekent voor Barth leven in de vrije werkelijkheid van Jezus, religie is de poging om daar te komen. Elke poging daar te komen ontkent het evangelische gegeven dat het jou gegeven is en maakt dus juist onvrij. In religie zoekt de mens houvast in zichzelf, een goddelijke kern, een onsterfelijke ziel, noem maar op. Het leidt allemaal af van de vrijheid waarin ook Jezus ons voorgaat, de vrijheid van het Koninkrijk van God, waarin we leven, bewust of onbewust. Lees het interview, waarin Hans Knibbe deze dingen op zijn manier zegt, los en vrij.
donderdag 10 november 2011
Laatste oordeel
Er waren andere verplichtingen afgelopen maandag, dus geen 'Bij de dienst', het wekelijkse gesprek rond de lezing die komt. Ik mis het deze week, juist bij de lezing van zondag die zeer gemengde gevoelens oproept. Het is Matteüs 25:31-46 , Jezus en het laatste oordeel. Eeuwig leven of eeuwige straf, ik vraag me al mijn hele bewuste leven af of mensen daar echt in geloven. Een enkeling misschien, voor wie het leven dan ondraaglijk wordt, want veel vat krijg je niet op je bestemming. Bij het gesprek over dit soort lezingen krijg ik al gauw het gevoel dat het er om gaat ons eigen hachje te redden. Dat lukt niet als we de tekst letterlijk nemen -wie zou voldoen aan de hoge maatstaven van Jezus?-, dus gaan we maar wat aan de tekst schaven. In dat proces worden de 'armen en de weerlozen' -ik vat even samen- tot een middel voor onze rechtvaardigheid. Dat we zelf ook arm en weerloos zijn zien we voor het gemak maar even over het hoofd. Mogelijk is dit een ingang om deze tekst te verstaan, ik begin daarom de dienst met Psalm 72: 'Hij ontfermt zich over weerlozen en armen, wie arm is, redt hij het leven. Hij verlost hen van onderdrukking en geweld, hun bloed is kostbaar in zijn ogen.' Dat is het verhaal van Bijbel en evangelie: de armen en weerlozen komen in beeld, als kostbare levens. In die lijn is er iets te zeggen over het koninkrijk van God en over het deelhebben daaraan. Het is in ieder geval geen wereld waarin al het ongewenste onder het kleed wordt geschoven. Zondag verder.
dinsdag 1 november 2011
De kracht van bidden (2)
'Help' roept de drenkeling. In dat ene woord vat hij zijn situatie volledig samen, er is niets naast op dat moment. Hij is niet ook nog bezig met zijn huis dat geschilderd moet worden, met zijn moeder die ziek is, met de promotie die hij net gekregen heeft. Hoewel die zaken voor hem wel het leven inhouden dat dreigt onder te gaan en gered wil worden. Maar zijn bewuste aandacht zit in dat ene woord: 'Help!'. Die bewuste aandacht hoort ook bij bidden. De inhoud van menige psalm komt dicht bij dat 'help'. Henri Nouwen noemde deze aandacht in het gebed de discipline van het ogenblik. Ook dit aspect komt aan de orde in het eerste hoofdstuk van 'De kracht van bidden' van Thich Nat Hanh.
Bewuste aandacht is de werkelijke aanwezigheid van ons lichaam en onze geest. Lichaam en geest zijn op één punt gericht, het huidige ogenblik. Als dit ontbreekt zijn we niet in staat te bidden, het doet er niet toe welk geloof we hebben. Als je niet aanwezig bent, wie bidt er dan?
zondag 23 oktober 2011
Liefde maakt vrij
Hoor! Mijn lief!
Kijk! Hij komt,
springend over de bergen,
dansend over de heuvels.
Als een gazelle is mijn lief,
als het jong van een hert.
Kijk! Hij staat al bij de muur.
Hij blikt door het venster,
tuurt door de spijlen.
Mijn lief roept mij toe:
'Sta op, vriendin!
Mooi meisje, kom!
Kijk! De winter is voorbij,
voorbij zijn de regens, weggegaan.
De bloemen zijn verschenen op het veld,
nu breekt de zangtijd aan,
het koeren van de duif klinkt op het land.
De vijgenboom is al vol vruchten,
de wijnstok rankt en geurt.
(Hooglied 2:8-13)
donderdag 20 oktober 2011
De kracht van bidden (1)
God wandelt door de hof waar de mens leeft (Genesis 3:8). Dat is de uitgangssituatie. Het gaat hier uiteraard niet om een historisch uitgangspunt, maar om het geloof van Israël. Een geloof dat de kerk overgenomen heeft in de leer van de drie-eenheid: God kan principieel, 'van den beginne', niet los gedacht worden van de mens en van zijn relatie met de mens. Ik lees het boek van de boeddhistische monnik Thich Nat Hanh, 'De kracht van bidden'. In het eerste hoofdstuk schrijft hij over een misverstand bij het bidden: dat God totaal afgescheiden van ons zou zijn, van een volkomen andere werkelijkheid is. We denken onszelf dan los van God, ons gebed moet die scheiding dan opheffen. Hij is er kort over: bijgeloof. Als ik dat lees komt het beeld op van God die wandelt door de paradijstuin. Ook de woorden van Paulus over de Geest die spreekt met onze geest weerklinken hier. 'Dat wij kinderen Gods zijn', zo kun je de uitgangssituatie ook benoemen. Het ware gebed, het gebed met kracht, erkent die situatie zoals die is en spreekt er de lof over uit.
woensdag 12 oktober 2011
Kruispunt
Een nogal symbolisch kruispunt, vind ik. We zaten in een huisje bij het kruispunt. Vier wegen: een oude landweg naar het dorp, een weg naar de verbindingsweg van de streek, een weg die naar het open veld voert en een doodlopende weg. We werden tijdens onze avondwandeling aangesproken door de chauffeur van een busje vol bouwvakkers, of er een cafetaria in de buurt was. Een vrouw op de fiets nam het van ons over, even later ging het busje de doodlopende weg in, het kon niet anders of ze had hen beloofd haar frituurpan in te zetten. Ze zal wel bij de camping horen, verder is er alleen een klein bungalowparkje aan de doodlopende weg. De weg naar het veld zorgt voor verkeer van tractoren met mest en landbouwproducten, soms een koe of een paar schapen in een aanhanger of gewoon lopend over de weg, zeg maar de economie van de streek. De aansluiting met de hoofdweg van de streek geeft aanvoer van verse toeristen en biedt de enkele forens de gelegenheid van en naar huis te gaan. De weg naar het dorp is het meest interessant. Daarover gaan de mensen hun dagelijkse gang, naar de bakker, de sportschool en, een enkeling, naar de kerk. Het zijn de mensen die de weg weten en het pad uitslijten, zij die er hun leven wonen en de toerist die na een dag of wat de weg ook wel kent. Wat ons verbaast van dit kruispunt is dat er zoveel bedrijvigheid heerst, er is altijd wel een werkauto in de buurt, iets graven, iets takelen, iets opruimen, iets herstellen. En als alles gedaan is zijn er nog de werkers op zoek naar frikadellen, zij hoefden drie wegen niet te gaan, de doodlopende weg bracht hen bij wat ze wensten.
maandag 26 september 2011
Bijbelse Dagkalender
Het is altijd weer een mooi moment. Een dikke enveloppe van uitgeverij Boekencentrum in de brievenbus met daarin twee exemplaren van de Bijbelse Dagkalender. Voor drie weken van 2012 heb ik korte overdenkingen geschreven, bij een aangegeven Bijbelgedeelte, nog een lied erbij gezocht en het was weer compleet. Dit jaar kreeg ik het verzoek een stukje te herschrijven, de redactie vond dat ik wat doorschoot in mijn beelden. Dat klopte ook wel en nu is het, inclusief de correctie, weer helemaal klaar. Ik mocht schrijven voor de eerste drie weken van het jaar en open met een gedachte bij Psalm 67.
De Bijbelse Dagkalender wordt uitgegeven door Boekencentrum en is in de boekhandel te koop voor € 7,25.
Alles begint met zegen: de schepping, de geschiedenis, je leven, het nieuwe jaar. Alles begint met de zegen van God. Alles heeft zijn oorsprong in het spreken, het zien, het licht, het woord, van God. Het licht van zijn gelaat schijnt over ons en dan begint het. Dan is er kennis, dan is er vreugde, dan is er recht, dan is er oogst. Het nieuwe jaar is als een plant die ontspruit uit de aarde. Nu nog heel pril, we zien het eerste sprietje: 'God, onze God, zegent ons'! Zo kun je ook jezelf, je eigen leven, deze dag, zien als een vrucht van de zegen, als een plant die tot bloei komt onder de zegen van God. Die zegen is niet een sausje over ons leven, die zegen is het beginsel, de oorsprong. Geen ander leven dan gezegend leven. Geen ander jaar dan een gezegend jaar.
woensdag 31 augustus 2011
Blote voeten
Dagblad Trouw vraagt schrijvers één ding aan te wijzen dat hun leven weerspiegelt. Kristien Hemmerechts schrijft een mooi verhaal bij haar wandelschoenen. Over paden, die je zelf gaat, maar waarin de wijsheid en ervaring van generaties ligt opgeslagen. 'Niet alleen het pad draagt je, maar al wie er voor jou heeft gelopen.' Ze pleit voor het blootvoets gaan. 'Dan huppel en dans je over het pad. Je rent, want je bent lichtvoetig, je weegt nauwelijks iets.' Mooie beelden voor de weg van geloven, het spirituele pad.
Ik las haar verhaal zondagmiddag. Zondagmorgen kwamen de blote voeten ook ter sprake, ik sprak in de dienst over het bijbelse beeld van overwinning. Nike, van onder andere de sportschoenen, betekent overwinning. De overwinning die je behaalt door net even sterker en sneller dan de ander te zijn, eventueel dankzij je sportuitrusting, je kennis en ervaring, en je training. Als de apostel van Jezus spreekt over de overwinning gaat het over de overwinning op blote voeten, zei ik. Blote voeten als beeld van vertrouwen en overgave, afzien van wat jij kunt en moet, afzien van de overwinning zoals we die ons gebruikelijk voorstellen, door er een schepje bovenop te doen.
's Avonds las ik verder in de biografie van Vasalis. Het laatste gedicht in de laatste bundel die tijdens haar leven verscheen kwam ter sprake. Ook daarin blote voeten. Prachtig beschrijft zij het nieuwe leven. 'Uittocht' heet het gedicht, een beetje bijbellezer denkt direct aan Exodus, weg uit Egypte, op weg naar het beloofde land. In het gedicht is het niet de uittocht van een volk of van de schrijver, maar er trekt iets weg uit haar, bijna vanzelfsprekend, 'zo konden zij niet in mij wonen'. Veel gaat weg, verdwijnt, wat overblijft is de ik van het gedicht met haar kloppende hart. En verder gaat ze haar weg: 'Kom! Lopende op blote voeten…'. Of ze ook huppelt en danst? Misschien, misschien ook niet, alles ligt open, in ieder geval gaat ze licht verder, zonder koning of slaaf te zijn, overheerser of vernederde, winnaar of verliezer. Alleen, op haar eigen pad.
Uittocht
De koningen zijn koningen gebleven,
ik heb hun tronen weggenomen;
de slaven bleven slaven,
ik nam de ketens af.
Des avonds zijn zij weggetrokken.
Zo konden zij niet in mij wonen.
Wie schrijden kon schreed,
trots en bemind tot op het laatste ogenblik;
wie strompelen moest strompelde,
dieper bemind en tot het eind toe ondersteund.
Het laatst verdween, gezogen door de sluis der poorten,
een draaikolk paarden, met een zwiep der staarten,
en toen het stof was neergezegen
en ook het laatste gruis geruis,
hoorde ik alleen mijn hart nog slaan,
als zocht het kloppende hen in te halen,
maar 't hart kon ik niet laten gaan.
In 't duister zag ik toen de poort verdwijnen,
de hoge wallen krulden terug als blaadren
en 'k stond alleen zoals een stamper doet.
Kom! Lopende op blote voeten …
maandag 15 augustus 2011
Psalm 87
Na de dienst bij de deur krijg ik van velen een eerste reactie. Gisteren merkte iemand op blij te zijn dat we Psalm 87 weer eens gezongen hadden. Waarom hij dat was weet ik niet, maar zelf vind ik deze psalm ook fijn om te zingen. Het was één van de veel gezongen psalmen in de kerk van mijn jeugd, misschien ook daarom wel. Ik heb de Oude Berijming die we toen zongen er nog eens op nageslagen.
De Filistijn, de Tyriër, de Moren,
Zijn binnen u, o Godsstad, voortgebracht;
Van Sion zal het blijde nageslacht
Haast zeggen: "Deez' en die is daar geboren".
In Psalm 87 wordt Sion, Jeruzalem, bezongen als de navel van de aarde. Alle volken zijn daar in feite geboren. Bovenstaand couplet was voor mij als kind pure poëzie. Of het mijn smaak bepaald heeft is maar zeer de vraag, maar de aantrekkingskracht van poëzie werd er zeker door wakker geroepen. Krachtige en tegelijk onbegrijpelijke taal, die je betrok bij andere werelden, het woordje 'haast' in de vierde zin, dat me menig meditatief moment heeft opleverd, daar in die grote kerk tussen de zingende menigte. Begrijpelijker werd het weer als we het vierde vers zongen, meestal na de doop van een aantal kinderen. 'In Isrel ingelijfd' vind ik nog steeds een mooi beeld om aan te geven dat je eigen weg niet puur individualistisch is, maar dat je op het pad van geloven met een gemeenschap meetrekt, je als het ware inscheept. Dit vers is trouwens vrijwel letterlijk overgenomen vanuit de berijming van 1773 in de Nieuwe Berijming. Ik zie Barnard en Heeroma als 20e-eeuwse dichters naar elkaar kijken: hier komen wij niet overheen. Helaas zijn de Filistijn, de Tyriër en de Moren in hun berijming van deze psalm gesneuveld. Hieronder de 18e-eeuwse versie van vers vier.
God zal ze zelf bevestigen en schragen,
En op Zijn rol, waar Hij de volken schrijft,
Hen tellen, als in Isrel ingelijfd,
En doen den naam van Sions kind'ren dragen.
woensdag 3 augustus 2011
Appels
Vanmorgen zag ik vier eksters wat beteuterd rond de appelboom in de kerktuin vliegen. Alleen nog wat restanten van aangepikte appels, verder geen appel meer te bekennen. Appels en kerk, die combinatie doet menigeen aan Adam en Eva in het paradijs denken, maar of het daar om appels ging is maar zeer de vraag. In het Hooglied gaat het in ieder geval wel over appels, het is te mooi om niet te citeren, hieronder een stukje van het liefdeslied van het meisje. Ik heb de appels in de kerktuin trouwens niet geplukt, voor welk doel dan ook. Wel heb ik ze zondag na de dienst helpen uitdelen, vele hebben hun weg gevonden naar appelmoes en appeltaart. De appel komt verder niet vaak voor in de Bijbel, nog wel in Spreuken: 'Het juiste woord op de juiste tijd / is als een gouden appel op een zilveren schaal.' De betekenis van het beeld ontgaat me op het eerste gezicht, maar het is in ieder geval positief bedoeld voor de appel. Om het compleet te maken ook nog een stukje van het liefdeslied van de jongen uit het Hooglied, weer komen de appels er goed af. Tenslotte noem ik nog de liefdesappels, het woord bevestigt wat we zo langzamerhand al vermoedden over appels in de Bijbel, voor de mooiste vermelding moeten we opnieuw het Hooglied citeren: 'De liefdesappels geuren al. / Boven onze poorten hangt een keur van vruchten, / vers geplukte, goed gedroogde. / Mijn lief, ik heb ze bewaard voor jou.'
ZIJ
Als een appelboom tussen de bomen van het bos,
zo is mijn lief tussen de jongens.
Ik verlang in zijn schaduw te zitten,
met mijn tong wil ik zijn zoete vruchten proeven.
Hij brengt mij in het wijnhuis,
boven mij zijn vaandel van liefde.
Verkwik me met rozijnen,
verfris me met appels,
want ik ben ziek van liefde.
Mijn hoofd rust op zijn linkerarm,
met zijn rechterarm omhelst hij mij.
HIJ
Wat ben je mooi, wat ben je bekoorlijk,
liefde en verrukking, dat ben jij.
Als een palm is je gestalte,
je borsten zijn als druiventrossen.
Ik dacht: Laat ik die palm beklimmen,
ik wil zijn bladeren grijpen.
Laten jouw borsten
als trossen van de wijnstok zijn,
je adem als de geur van appels,
je tong als zoete wijn
waarin mijn kussen baden,
mijn lippen en tanden gedompeld zijn.
zondag 24 juli 2011
Zondagmorgen
Voor de dienst met als thema 'Leven met de hemel' heb ik opnieuw gekozen voor het gedicht 'Zondagmorgen' van Ida Gerhardt. We lazen het eerder in een Pinksterdienst (zie bij 11 mei 2008) en een Paasdienst. In de loop van de week realiseerde ik me hoe mooi dit gedicht rijmt op de tekst van Mackay die we vorige week beluisterden (zie bij 18 juli). De aarde die het zonlicht inademt, het prachtige beeld komt bij Gerhardt terug in 'gedoopt in zon'. Zo zijn er veel meer raakvlakken aan te wijzen. 'Morgen zal de zon weer schijnen', dat kan geen bom en kogel, geen nacht en dood, ongedaan maken. Toch is 'pas' morgen, hoe dichtbij ook. In het gedicht van vandaag gebeurt het, nu, vandaag. Dat zal vanmorgen ook de leidende gedachte zijn in mijn overdenking: we leven in het licht, het is zondagmorgen, dat te zien, te beseffen, te leven, dat is leven met de hemel. Ik geef hier het schitterende gedicht, dat voor mij zelf zondagmorgen is, nog een keer door. We zingen een Taizé-lied, 'Jezus het licht, het licht in mijn leven, laat nimmer toe dat mijn duister tot mij spreekt, Jezus het licht, het licht in mijn leven, zegen mij met uw liefde.'
Zondagmorgen
Het licht begint te wandelen door het huis
en raakt de dingen aan. Wij eten
ons vroege brood gedoopt in zon.
Je hebt het witte kleed gespreid
en grassen in een glas gezet.
Dit is de dag waarop de arbeid rust.
De handpalm is geopend naar het licht.
maandag 18 juli 2011
Morgen
Gisteren in de dienst het lied 'Morgen' van Richard Strauss laten horen. Ik liet het horen zoals het gezongen werd door Aafje Heynis, hieronder vindt u een uitvoering door Kiri te Kanawa. Ook in deze versie is de begeleiding een enkele piano in plaats van een strijkorkest, heel mooi sober vind ik dat. De tekst is van John Henry Mackay, voor de dienst hebben we hem proberen te vertalen. Een prachtige tekst over het licht dat over ons opgaat. Het licht, gesymboliseerd in de zon, wordt door de aarde ingeademd. We komen op die aarde, zelf het licht inademend, ontvangend, tot eenheid, met elkaar, met onszelf. Het is een thuiskomen in de onmetelijke ruimte ons gegeven. Op het strand, de grens tussen land en zee, de ruimte van oneindig verlangen, daar worden we opgericht, komen we tot vorm en de zegen van het woordeloos alles onder ogen kunnen zien daalt neer.
Morgen
Und morgen wird die Sonne wieder scheinen
und auf dem Wege, den ich gehen werde,
wird uns, die Glücklichen, sie wieder einen
inmitten dieser sonnenatmenden Erde…
Und zu dem Strand, dem weiten, wogenblauen,
werden wir still und langsam niedersteigen,
stumm werden wir uns in die Augen schauen,
und auf uns sinkt des Glückes stummes Schweigen...
zaterdag 9 juli 2011
Aarde
Bij het mediteren is de instructie van de vier gebaren vaak heel behulpzaam. Je kunt ze zien als voorbereiding van je 'echte' meditatie, tegelijk is waar dat er geen echte en onechte meditatie is, alleen meditatie. In elk gebaar zit het hele pad van meditatie al verborgen en daarmee het hele spirituele pad. Ik had bedacht dat ik vier diensten in de zomer zou houden rond de vier gebaren, morgen is de eerste. Meer hierover op de pagina zomerdiensten. Het eerste gebaar is de herinnering aan de verbinding met de aarde. Hieronder de instructie voor dit deel van de meditatie, ik citeer Hans Knibbe in een artikel in 'de Cirkel, tijdschrift voor Zijnsoriëntatie'. We hebben de vier gebaren ook geoefend tijdens vier meditatieavonden in de afgelopen weken. Komende winter bieden Margriet en ik opnieuw meditatieavonden aan rond de vier gebaren.
Zitten als een berg
Laat jezelf echt neer op de plek waar je zit.
Voel de verbinding met de aarde.
Ga voorbij de mentale voorstelling van de aarde als een fysiek gegeven en benader de aarde als een open ruimte waar je naar kunt doorvoelen.
Maak contact met de kwaliteiten die aanwezig zijn in de ruimte van de aarde. Voel de stilte, de uitgestrektheid, de onbeweeglijkheid.
Sta toe dat die kwaliteiten zich ook in jou gaan manifesteren.
Het kan zijn dat je geen onderscheid meer ervaart tussen jezelf en de aarde, dat je jezelf als een uitstulping van de aarde ervaart, als een berg.
Zit als een berg.
zaterdag 18 juni 2011
Chagall in Mainz

Twee weken geleden gezien in Mainz, een week geleden laten zien in de dienst met Pinksteren. De ramen die Chagall maakte voor de St. Stephan Kirche. Op hoge leeftijd ontwierp Chagall deze ramen, na het aanhoudende verzoek van Klaus Mayer, de pastoor van de St. Stephan. De man heeft wat afgependeld tussen Mainz en St. Paul de Vence, de plaats bij Nice waar Chagall woonde. Daarbij kwamen zijn vele tochten om het project gefinancierd te krijgen. Het begon met één raam, maar Chagall ging verder, negen ramen vulde hij met afbeeldingen van de verhalen van Adam en Eva, Abraham en Sara, Mozes en Debora, en vele anderen, ook Jezus kreeg, zoals zo vaak bij Chagall, zijn plaats. Kort voor zijn dood, hij was toen 97, maakte hij de laatste ramen af. Later werden de overgebleven vensters gevuld met glas in lood dat aansluit bij de ramen van Chagall. Wonderlijk dat de kunstenaar zelf nooit lijfelijk in Mainz geweest is, de kerk lijkt nu wel gebouwd rondom zijn ramen. In de dienst heb ik twee fragmenten laten zien die ik associeerde met Pinksteren. De schepping van de mens, die de adem ingeblazen krijgt, door een engel deze keer, maar de vogel als symbool van de Geest is ook aanwezig. Op het andere fragment zie ik de mens, in een hoekje, verdiept, misschien wel verloren, in zijn boek, het boek van zijn eigen leven. Boven hem een engel die een boek openhoudt, mijn Pinkstergedachte was dat dat boek in de hemel en dat boek in het hoekje hetzelfde zijn, door de Geest ga je dat zien. Zoals Psalm 139 het zingt: 'En al mijn levensdagen stonden in uw boek'.
woensdag 8 juni 2011
Scheef

Met eigen ogen gezien: de toren van Pisa staat scheef. Eens moet hij toch omvallen, denk je dan. In onze reisgids lazen we dat er 8000 pogingen gedaan zijn om het omvallen te voorkomen. Volgens Siebe zijn dan alle gebeden voor het behoud van de toren meegeteld, volgens mij alle fotografisch vastgelegde ondersteuningen met handen en voeten. Hoewel het er dan toch veel meer moeten zijn dan die 8000. Hier een foto waarop je de toren vanachter de dom schuin op ziet komen. Links onder het gebouw waar je je bagage af moet geven voor je de toren op mag. Het broodje-aap-verhaal gaat over een man in uniform die alle camera's van bezoekers inneemt, bij het verlaten van de toren blijkt hij spoorloos verdwenen. Op het plein kwamen we een zus en zwager tegen, ze hadden de toren beklommen en konden toch nog een foto van ons maken. Ze vertelden op de toren een lichte duizeling gevoeld te hebben en ook wel een heel klein schokje, misschien zakt de toren nog steeds. Wij hebben het baptisterium tegenover de dom bezocht, binnen kun je naar boven de galerij op en vandaar kun je door een raam deze foto van de dom nemen, wat we deden. Ziet u hem ook met eigen ogen, misschien wel de meest gefotografeerde toren ter wereld.
donderdag 5 mei 2011
Carillon
De klank van het carillon hoort bij de stad. Ik associeer het ook altijd met vrijheid. Dat komt mede door de verwaaiende klanken, tussen de huizenblokken door, je weet nooit goed waar het geluid vandaan komt. Het is als het waaien van de geest. Mooi is dat in onderstaand gedicht van Ida Gerhardt verwoord in de eerste strofe, de mensen worden aangeraakt door de klanken die door de stad waaien. Ook mooi is het samengaan van het anonieme van de stad en het besef van een samenleving. Vandaag vieren we wat in het gedicht gemist wordt.
Het carillon
Ik zag de mensen in de straten,
hun armoe en hun grauw gezicht,-
toen streek er over de gelaten
een luisteren, een vleug van licht.
Want boven in de klokketoren
na 't donker-bronzen urenslaan
ving, over heel de stad te horen,
de beiaardier te spelen aan.
Valerius: -een statig zingen
waarin de zware klok bewoog,
doorstroomd van lichter sprankelingen,
'Wij slaan het oog tot U omhoog'.
En één tussen de naamloos velen,
gedrongen aan de huizenkant
stond ik te luist'ren naar dit spelen
dat zong van mijn geschonden land.
Dit sprakeloze samenkomen
en Hollands licht over de stad-
Nooit heb ik wat ons werd ontnomen
zo bitter, bitter liefgehad.
Oorlogsjaar 1941
zondag 24 april 2011, Pasen
Tuin
Nu loop ik alleen door de tuin van de stilte
met ogen vol heimwee en armen vol spijt,
de zon is verdwenen, ik wacht op de morgen,
maar een loodgrijze muur houdt de toekomst verborgen.
De zevende tuin in het land van de tijd,
ik kan er wel heen, maar mijn angst is te groot,
want achter die muur wacht de tuin van de dood.
In het lied 'De zeven tuinen' van Elly en Rikkert worden we door het leven geleid als door zeven tuinen. De voorlaatste is de tuin van de stilte, wat daarna komt leest u hierboven. Ik citeer vanmorgen uit dit lied in de paasdienst, waarin we twee tuinverhalen uit de Bijbel lezen. Over de tuin van het leven en over de tuin van de dood. We doen dat in de Schepershof, de tuin van de herder, die in de tuin van de dood aanwezig is als de vermeende tuinman, als de levende, in de ontmoeting met Maria.
dinsdag 5 april 2011
Lazarus
'Maak de doeken los, en laat hem gaan.' Schitterend, ontroerend slot van het verhaal over de opwekking van Lazarus. Het zijn de doeken waarmee Lazarus omwikkeld in het graf lag, doeken die hem in de dood houden. 'Onze doeken van schuld, spijt, berouw, angst' schreef iemand me vanmorgen. Onze doeken van zelfbeschuldiging, veroordeling, faalangst zou ik er aan toevoegen. De doeken waarmee we onszelf in het graf houden, klein en als een dode maken. Ik kreeg het mailtje van iemand die gisteren bij de voorbespreking voor de dienst van aanstaande zondag was, iemand anders bracht gisteren een gedicht in over Lazarus. Zo zijn we samen bezig voor de zondag, is de voorbereiding voor mij minder eenzaam en gaan hen die meedoen bewuster op weg naar de zondagsdienst. Het gedicht over Lazarus was van Wiel Kusters, iemand die wel vaker met Lazarus bezig is. Zo schreef hij de tekst voor de negentiende editie van de Passiespelen in Tegelen en verwerkte daar het verhaal van Lazarus in. Hieronder enkele woorden van Lazarus in deze tekst. Zoals in meerdere gedichten over hem komt de vraag op of Lazarus wel zo blij was met zijn nieuwe leven. Volgens mij gaat het over het moment in het geloofsleven, op de spirituele weg, dat je dat wat je overkomt ook toe te eigenen hebt, er zelf voor te staan en te gaan. De echo van de slotzin van het verhaal is voor mij dan ook: 'Laat je doeken los en ga' of, nog persoonlijker: 'Ik laat mijn doeken vallen en ga, ga de weg, mijn weg'.
Lazarus:
Soms ben ik moedeloos, en hoogstens nog een vonk
van het vuur dat in mij was.
Ik weet niet waar ik gaan moet en waar staan:
verhef je hart eens als het graf steeds aan je trekt,
omdat je levensdraad te ver werd uitgerekt…
Ik val terug, ik kan niet langer uit mijzelf vandaan
Ik geloof in Hem, in Hem, maar niet in mij
Soms denk ik: in de dood was ik pas vrij.
Hoe maak ik waar wie ik voor Hem moet zijn?
Hoe kan ik groeien als ik krimpen moet van pijn?
dinsdag 1 maart 2011
Afsluitdijk
Een bericht in de krant waar ik wat langer over nadenk: bij metingen op de Afsluitdijk bleek dat het verkeer richting Noord-Holland gemiddeld harder rijdt dan het verkeer richting Friesland. Een verklaring wordt niet gegeven, dus die mogen we zelf verzinnen. Het verschil is niet groot, twee kilometer per uur, maar ik denk dat het groter zou zijn als niemand gebruik maakte van cruisecontrole, waarmee je je eigen snelheid vastzet op een vast aantal kilometers per uur. Het verschil wordt namelijk veroorzaakt door het verschil in positie. Als je naar Friesland rijdt heb je naast je het IJsselmeer, je weet dat dat een binnenwater is, betrekkelijk veilig. Als je de andere kant op rijdt, rijd je langs de zee, de open zee. Dat is bedreigender en daardoor ga je onbewust harder rijden. Een andere oorzaak kan de windrichting zijn. Je reguleert je snelheid, zonder cruisecontrole, mede aan de hand van het geluid dat je motor maakt. Als de wind je een zetje geeft, hoeft de motor minder te doen, maakt minder geluid en als vanzelf geef je iets meer gas. Je tegenliggers hebben wind tegen en dimmen dus vanzelf. Op dezelfde manier zou het verschil verklaard kunnen worden door het hoogteverschil, je rijdt tenslotte van Zürich naar Den Oever, van hoog naar laag dus, of andersom. Het zou ook nog kunnen komen door het verschil in bestemming, Hollanders gaan met grotere graagte naar huis dan Friezen. In deze sfeer zijn er nog wel ingewikkelder verklaringen te bedenken, maar die laat ik graag aan uzelf over. Zelf denk ik bij Afsluitdijk direct aan het gedicht van Vasalis, de bus rijdt richting de marinebasis in Den Helder. Dat leid ik af uit het opmerking dat links de zee is die getemd is, de Zuiderzee, geworden tot IJsselmeer. Op de foto zie je de bus gaan, inderdaad richting Noord-Holland, het is alleen geen nacht.
Afsluitdijk
De bus rijdt als een kamer door de nacht
de weg is recht, de dijk is eindeloos
links ligt de zee, getemd maar rusteloos,
wij kijken uit, een kleine maan schijnt zacht.
Vòòr mij de jonge pas-geschoren nekken
van twee matrozen, die bedwongen gapen
en later, na een kort en lenig rekken
onschuldig op elkanders schouder slapen.
Dan zie ik plots, als waar 't een droom, in 't glas
ijl en doorzichtig aan de onze vastgeklonken
soms duidelijk als wij, dan weer in zee verdronken
de geest van deze bus; het gras
snijdt dwars door de matrozen heen.
Daar zie ik ook mezelf. Alleen
mijn hoofd deint boven het watervlak
beweegt de mond als sprak
het, een verbaasde zeemeermin.
Er is geen einde en geen begin
aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden,
alleen dit wonderlijk gespleten lange heden.
maandag 14 februari 2011
Geheim
Van God weten wij niets. Maar dit niet-weten is een niet-weten van God. Als zodanig is het het begin van ons weten van Hem.
Magistrale openingszinnen van een magistraal boek. Franz Rosenzweig schreef het in 1921, 'De Ster van de Verlossing'. Ooit zijn we er gedrieën aan begonnen, maar we kwamen er niet door. Ooit wil ik het nog eens lezen, vijfhonderd pagina's diepgaande filosofie over God, wereld en mens. Soms pak ik het boek voor de openingszinnen, zoals afgelopen zondag toen we een stukje van Paulus lazen, waarin hij het evangelie aanduidt met 'de geheimen van God'. Ik durf hier niets over 'De Ster' te schrijven, want veel snap ik er niet van, maar het is wel frappant en mooi, dat alle drie delen van het boek afsluiten met een zin waarin het woord geheim voorkomt. Ik geef ze hier zonder commentaar, lees ze als een gedicht.
Een geheim: want het is ons nog niet openbaar en het kan ons niet openbaar zijn dat deze altijd voortdurende geboorte (van het 'al', JdK) uit de grondslag - schepping is. Dit openbaar worden van het altijd voortdurende geheim van de schepping is het steeds hernieuwde wonder van de openbaring. Wij staan voor de overgang - daar waar het geheim overgaat in het wonder.
De geheimen van de voorwereld zinken terug in de nacht, de tekenen van de wereld om ons heen verliezen hun glans, de straal van de bovenwereld zuigt de duistere schaduwen van het geheim als de kleurige lichten van het teken in zich op. Wij schrijden opwaarts over de drempel van de bovenwereld, de drempel van het wonder naar de verlichting.
In eenvoud wandelen met je God - de woorden staan boven de poort, de poort die uit het geheimnisvolle-wonderbare licht-schijnsel wegvoert van het goddelijke heiligdom waarbinnen geen mens in leven kan blijven. Maar waarheen openen zich de vleugels van de poort? Weet je dat niet? Naar het leven.
donderdag 27 januari 2011
Dag
Op de dag van de poëzie een enkel gedicht zonder commentaar van mij. Laat de poëzie maar stromen. Het gedicht is van J.W. Schulte Nordholt, we hoorden het deze week in de vesper bij de opening van de kerkenraad.
Denkend over God en mij
Als ik God zeg dan bedoel ik niet
al de bomen met hun hoofd omhoog,
en de zon niet met zijn gouden oog,
en de hemel niet en het verschiet,
en niet binnenin het warm gevoel
als ik aan de grens des levens sta,
en het duister niet waarin ik ga.
God ik weet het niet wat ik bedoel.
Ik bedoel, want eindeloos probeer
ik te zeggen wat ik zeggen wil,
ik bedoel een licht dat niet bestaat,
ik bedoel het goddelijk gelaat
dat onzichtbaar is, de stem zo stil
dat ik hem niet hoor als ik hem eer.
donderdag 13 januari 2011
Bloedleeuwerik
Aan de avond van deze morgen
Aan de morgen van deze avond
en aan de avond van deze morgen
komen wij tot u,
vader, die ons in het goddelijk oog
houdt gevat en vragen wij u
laat ons niet vallen,
hoe gevaarlijk wij ons
buigen over de rand
boven het niets,
houd ons vast.
Maak op de penduulslag
van middernacht weer een zon
voor de ochtend van morgenochtend
en schep de nieuwe bloedleeuwerik.
Geef ons vrede
aan de morgen van deze avond,
aan de avond van deze nacht.
Vanmiddag met een groep geschilderd bij de vierde scheppingsdag. Zon, maan en sterren worden geschapen en daarmee de seizoenen, de dagen en de jaren. We lazen er het bovenstaande gedicht van J.B. Charles bij. Er klinkt iets in van een huiveren voor de voortgang van de tijd, een voortgang die onze ondergang kan zijn. Daartegenover staat de schepping van 'weer een zon' en van 'de nieuwe bloedleeuwerik'. Paul Vanderghote schrijft over de bloedleeuwerik op Kerknet: 'Van een bloedleeuwerik maken de woordenboeken geen melding. Wij mogen aannemen dat het een neologisme is, een kunstmatig samengestelde beeldspraak. De leeuwerik is de vogel die zomers in de prille ochtend opstijgt van de donkere aarde naar de hemel vol licht en onbeperkte ruimte. Bloed is symbool van ‘leven’. De combinatie van beide spreekt voor zich.' Hij vertelt er niet bij waar het woord vandaan komt, hoewel Charles zelf de aanwijzing geeft door onder het gedicht te zetten: 'Voor Gerrit Achterberg'. In het gedicht Ode schrijft deze dichter over de penduulslag en de bloedleeuwerik.
Penduulslag, zoete snik,
bloedleeuwerik;
van 't gonzend bloeiveld jij-ik
loodrecht ogenblik.
donderdag 30 december 2010
O, alstublieft: stilte!
O als men van heel deze huidige christelijke toestand zou moeten zeggen dat het een ziekte is, en ik dokter was, als men mij zou vragen: 'Wat denkt u dat er gebeuren moet?', dan zou mijn antwoord zijn: 'Het onvoorwaardelijk-allereerste dat nodig is, heet: stilte. Stilte, stilte, geef ons weer stilte. Gods Woord is niet meer te verstaan. Want als het met lawaai en spektakel moet worden uitgeschreeuwd, kán het Gods Woord niet meer zijn. Dus: stilte! O, alles is herrie. Zoals men van een hete borrel zegt dat hij het bloed ophitst, zo is tegenwoordig het stompzinnigste gebeuren, de leefhoofdigste kreet erop berekend de zintuigen te schokken of de massa, het publiek, de lawaaierigheid in beweging te krijgen. En het onverstand dat mens heet heeft slapeloze nachten van het uitvinden van die stortvloed van steeds maar nieuwe middelen om het lawaai te vergroten en om zo snel mogelijk en in de grootste omvang uitbreiding te geven aan de herrie en de leeghoofdigheid. Ja we staan vlak voor de totale ommekeer: nu de media welhaast het toppunt hebben bereikt van haast en van een allesoverstromende omvang, zitten we tegelijk op het dieptepunt van nietszeggendheid van mededeling. Zo groot als de haast waarmee tegenwoordig alles wordt uitgebazuind, zo groot is ook de uitbreiding van: geleuter! O, alstublieft: stilte!'
Zo, dat is er uit. Afgelopen zondag las ik in de dienst het gedicht 'Nacht-Stilte' van Boutens en zei een en ander over stilte als geloofshouding. 's Middags las ik tot mijn verrassing bovenstaande woorden. Ze zijn van Søren Kierkegaard, ze werden gedrukt in 1851. Ik besef door zijn woorden dat een pleidooi voor stilte, voor spirituele stilte niet ingegeven wordt door het lawaai om ons heen. Dan zou de roep om stilte vandaag nog wel een graadje sterker klinken dan in 1851. Het is andersom, waarachige woorden, woorden van 'boven', tot ons gesproken, tot ons gekomen, maken ons bewust van de herrie om ons heen en roepen de vraag om stilte op. We lazen het ook in het gedicht van Boutens.
maandag 27 december 2010
Kerst
Deze kerst heb ik me laten inspireren door de dichters. Op eerste kerstdag was het een gedicht van Gerrit Achterberg, 'Kerstmis', dat de toon voor mijn overdenking zette, op tweede kerstdag een gedicht van P.C. Boutens, zijn 'Nacht-Stilte'. Hieronder de gedichten, later deze week nog iets opmerkelijks over stilte.
Kerstmis
Klokken haalden mij uit de slaap vandaan:
Kerstmis over Den Haag om middernacht.
Hij, die ik dagelijks te wezen dacht,
trok uit mij weg en kwam alleen te staan.
Ik keek tegen mijn eigen leven aan,
alsof een ander het had doorgebracht.
Een lege helderheid betrok de wacht
tussen mij en het opgeschoven raam.
De stad verstomde. Mijn verbeelding ging
over de torens heen naar Bethlehem.
2000 jaren her is daar een kind
zojuist geboren en de moeder windt
het in een doek. De ezel en de man
maken het nuchter mee. Een engel zingt.
Nacht-Stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht...
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
zaterdag 18 december 2010
Sneeuw
Gisteren met de trein naar Utrecht geweest. Alle ongemakken ervaren, van treinen die niet rijden, treinen die overvol zijn, straten die glibberig zijn. Maar ook de schoonheid gezien, 's morgens vroeg de stilte bij de bushalte, onderweg het sprookjesachtige landschap, de zon die als een rode bol boven de witte wereld opkwam. Bij de opening van de kerkenraadsvergadering heb ik van de week een lied voorgelezen. Het komt uit het bundeltje 'Licht, 100 liedjes voor iedereen'. Coot van Doesburgh schreef de liedjes, Karin Bloemen zong er een aantal voor de gelijknamige cd. De liedjes zijn geschreven op bekende melodieën, vaak uit het kerkelijk repertoire, maar ook van daarbuiten. Het lied 'De sneeuw' kan gezongen worden op de melodie van 'The Ash Grove', een oud Welsh lied. Op 'YouTube' in vele variaties te vinden, op harp is heel passend, past mooi bij het traditionele karakter van de melodie. Klik aan en zing mee.
De sneeuw
De sneeuw is aan 't vallen, het landschap betoverd,
een dikke laag watten op bomen en grond.
De stilte geeft schoonheid die harten verovert
en ieder verwelkomt in 'n woordloos verbond.
Het wit zal niet dreigen, kan moeiteloos zwijgen.
Het warmt je, omarmt je in 't maanrijke licht.
De aarde in feesttooi voelt veilig en eigen,
een lelieblank lied en een doodstil gedicht.
Geniet van dit wonder, het duurt maar heel even.
Dus koester die stilte, sla 't op in je hart.
Bewaar het voor een later moment in het leven,
als daag'lijkse drukte je ziel weer verwart.
En wil je dat voor zijn, haal 't dan weer tevoorschijn
en kijk in je hart naar dat stil-witte beeld.
Dan zul je weer spoedig op 't lijnrechte spoor zijn,
alleen met het wonder dat harten weer heelt.
zondag 5 december 2010
Gods goedheid
We sloten vanmorgen de dienst af met het zingen van de Iona-versie van Psalm 150, 'Zing nu van Gods goedheid'. De cantorij zong de coupletten, als hele gemeente zongen we het refrein. Een swingend lied, het was even wennen, hoorde ik achteraf, maar bij de vierde keer kwamen we er al aardig in. Bekijk en beluister onderstaande opname, zo massaal kun je dit lied dus zingen. Ooit zingen we het net zo vlot.
Kom dan, alle volken, zing nu van Gods goedheid
liederen van lof en dank aan God.
Juich nu van Gods glorie, prijs hem met muziek
en zegen en aanbid zijn Naam.
zondag 21 november 2010
Willem Barnard
Net lees ik op teletekst dat Willem Barnard is overleden. Dichter en theoloog, zegt de NOS, of Barnard met die volgorde tevreden zou zijn weet ik niet. Guillaume van der Graft was zijn naam als dichter, in de kerk kennen we hem het best als Willem Barnard, dichter van vele liederen. Liederen die altijd de taal van de Bijbel volgen, een taal die diende voor het verhaal dat tegelijk God openbaart en God verbergt. Hij heeft die taal gelezen en herlezen, gespeld en uitgelegd, de taal van het verhaal dat ons door de nacht een geleide is. Hij leefde en schreef op het ritme van de liturgie, hij is gestorven op de zondag van de voleinding.
God, gij zijt niet te rijmen met het lot!
Achter al wat geschiedt blijft gij verscholen.
Al wat geschiedt - , gij hebt het niet bevolen.
Leven is wat gij wilt en niet de dood.
Niemand kan mij vertellen hoe gij heet.
En toch, uw naam gebeurt en is geboren...
Ik vind U in de doolhof, niet tevoren,
maar achteraf. Daarom: wie weet, wie weet...
Want ook de twijfel kan U heilig zijn
en schroom verhindert ons U uit te spreken.
Wij lezen uw verhaal, uw taal en teken
zal door de nacht heen ons geleide zijn.
(Willem Barnard, 'Esther, een lied')
vrijdag 19 november 2010
Ademen
Adem is leven, adem is geest. Het eerste wat we over de aarde lezen is dat de Geest Gods er over zweefde. Je kunt ook zeggen dat de Geest van God er boven broedde, dat de adem van de Heer er over ging. In meditatie wordt vaak geadviseerd om met je aandacht voor een deel bij je adem te zijn. Dat helpt in de eerste plaasts om minder afgeleid te worden, maar ook bepaalt dit gebaar je als vanzelf bij iets heel wezenlijks van jezelf. Je adem is je leven en de manier waarop je ademt is de manier waarop je leeft. Met elke ademtocht creëer je je eigen leven.
Al nadenkend hierover kwam ik een gedicht van J.C. Bloem tegen, waarin hij met een nog wijdere blik naar het ademen kijkt dan ik deed in de vorige alinea. Even haalt hij met de aandacht voor het ademhalen het -ook bijbelse- beeld binnen van de vluchtigheid en de kleinheid van ons bestaan, vervolgens ziet hij in het in en uit ademen onze verbondenheid met het hele heelal. Niet dat de mens daar groter van wordt, maar dat hoeft ook niet, we nemen onze plaats in, in ontvangen en geven.
Ademen
Eenzaam bevonden onder 't flonkerstralen
Der najaarssterren boven de gerust-
Geworden wereld, wordt zich 't hart bewust:
Leven is niet veel meer dan ademhalen.
Maar dat is: in de diepten van dit dal
De oneindge ruimte tot zich in te leiden
En, na één wankel ogenblik van beiden,
Die te hergeven aan 't beroofd heelal.
dinsdag 2 november 2010
Het lied
'Het lied heeft het eeuwige leven', onder die titel hield Huub Oosterhuis laatst een rede. Aan het eind van zijn verhaal over de taal die door de dichters na de verschrikkingen van de holocaust opnieuw tot spreken gebracht is, geeft hij het gedicht waaraan hij zijn titel ontleende. Het is van Lucebert, hij publiceerde het in zijn bundel 'Van de afgrond en de luchtmens' die in 1953 verscheen. De titel herinnert me aan het gesprek van gisteravond, het ging over de tweede scheppingsdag. Het 'gewelf' wordt gemaakt en God noemde het gewelf hemel. We vroegen ons af wat de term hemel toevoegt, wat doet dat woord in het paar 'hemel en aarde'. Het woord fantasie viel, zonder weet van hemel is de aarde fantasieloos, overgeleverd aan zichzelf, aan zijn vorm, aan zijn vastheid, aan zijn stilte. Aarde zonder hemel is de afgrond, de mens is het hoogst ontwikkelde zoogdier, in het paar 'hemel en aarde' wordt de mens een luchtmens, een mens die ademt en opademt in de ruimte die hemel heet. Het gedicht 'het einde' gaat over die afgrond, die op een grijze dag als vandaag bijna voelbaar is, voor sommigen zelfs realiteit. Maar er is een laatste geluid, de luchtmens haalt adem en zingt, het eeuwige leven.
het einde
oud de tijd en vele vogels sneeuwen
in de leegte in de verte
wordt men moe en de stemmen
staan stijf om zelfs de zuiverste lippen
ruw en laag wandelt de regen
waarheen zijn lichte dagen gegaan
waar zijn de wolken gebleven
alles is stom en van steen
alleen die in zijn engte de elementen telde
buigend bevend als geselslagen
geeft het laatste geluid: het lied
heeft het eeuwige leven
dinsdag 12 oktober 2010
Willem Vogel
Vorige week overleed Willem Vogel, 90 jaar oud geworden. Kerkorganist, componist, kerkmusicus. Een enorme inspirator voor de protestantse kerkmuziek van de tweede helft van de vorige eeuw. Melodieën voor vele liederen van in en na het Liedboek voor de Kerken schreef hij, maar ook voor veel andere vormen van muziek in de liturgie componeerde hij. Toen we in Diemen woonden gingen we wel eens naar een dienst in de Oude Kerk, Willem Vogel speelde op het orgel. De orgelklanken vulden de monumentale ruimte, ze konden alle kanten op, niet zo heel veel mensen om te zingen, liederen die niet altijd al bekend waren, maar het zong als vanzelf onder zijn begeleiding. Afgelopen zondag hebben we hem in dankbaarheid genoemd, één van zijn melodieën gezongen en een lied van hem beluisterd. De tekst is van Jaap Zijlstra, de melodie is van de grote meester.
U komt mij, lieve God,
zo broederlijk nabij,
in dagen van gemis
en moeite vindt U mij.
U daalt het duister in,
U deelt mijn angst en pijn,
zo dodelijk bedroefd
als maar een mens kan zijn,
een man van smarten die
ter aarde valt en schreit,
een lotgenoot, een vriend, -
o God die bij mij zijt,
ik bid U, laat het licht
dat doorbrak in uw smart,
de zon die Pasen heet,
ook dagen in mijn hart.
donderdag 30 september 2010
Soest
Wat doe je in Soest als je een uurtje over hebt? Mijn gang is dan naar de boekhandel, in Soest-Zuid is er één die de moeite waard is. Na een mooie wandeling over de eng kwam ik uit bij de achterkant van een winkelcentrum met daarnaast de vernieuwde boekhandel. Ineens stuitte ik op de Bijbelse Dagkalender voor volgend jaar, ik had hem nog niet gezien. Terwijl ik één van mijn eigen stukjes stond te lezen pakte een vrouw ook een exemplaar van de stapel. Ze keek er even in, misschien zou ze mijn foto wel zien, maar al snel lag het boekje weer terug bij zijn broertjes en zusjes. Nog even een paar boodschapjes bij de C-1000, helaas kon ik geen gebruik maken van de zelf-scan-kassa, omdat mijn courgette geen streepjescode had. Daardoor maakte ik wel van nabij mee hoe een pakje vleeswaren in de geheime krochten van de lopende band verdween, met enig gepruts was het weer boven te krijgen. Bij de uitgang vroegen een paar jongens om mijn dungans, 'die krijg je bij elke tien euro'. Helaas, ik had nog geen drie euro besteed. Toch weer veel beleefd, toen we 's avonds thuis kwamen lag er de enveloppe van Boekencentrum met twee exemplaren van de Bijbelse Dagkalender, hieronder één van de stukjes die ik ervoor schreef. Ik schreef dit bij Matteüs 18:21-35.
Een golf van vergeving
Een maatschappij, een gemeenschap of een relatie, die geen vergeving kent is gedoemd onder te gaan. Vergeving is de kern van het evangelie en de kern van het leven. Wie zijn leven ervaart als gave, kan vergeven, wie vergeeft geeft het leven door.
De mens die de ander niet vergeeft zet die ander vast, gevangen in een web van schuld en verplichtingen. Die mens zet ook zichzelf vast, maakt zich afhankelijk van wat de ander kan opbrengen, wat bij de ander te halen is.
Vergeving plant zich voort, als een golf in de oceaan, niet vergeven is een repeterende breuk, als vallende dominostenen. Het is geen automatisme, dat weet Jezus maar al te goed, het is wel de enige weg om het leven te ontvangen en door te geven.
woensdag 15 september 2010
Hart
Afgelopen zondag lazen we in de dienst verhalen over zoeken en vinden. Zelf was ik op zoek naar een gedicht dat paste bij de dienst, dat vond ik niet echt, misschien omdat ik verkeerd zocht. Bij nader inzien gingen de verhalen meer over vreugde dan over zoeken en vinden. Ik kwam wel een paar gedichten tegen die mooi bij elkaar passen. Ik geef ze in de volgorde waarin wij ze vanuit onze culturele situatie meestal zien. De eerste is van Jacqueline van der Waals, een dichteres die leefde in het Protestantse Nederland rond de overgang van de 19e naar de 20e eeuw. Het tweede is van Rumi, een Perzische soefi mysticus uit de 13 eeuw. Het hart als vindplaats van het wezenlijke, in beide gedichten.
Hemel
Ik vroeg: Waar woont Gij, God? 'In mijnen hemel.'
Ik vroeg: Waar vinde ik dien? Toen sprak zijn mond:
'Mijn troon is boven zon en stergewemel
In eeuwigheid gevestigd en de schemel
Voor mijne voeten is dit aardsche rond.'
Ik sprak: Voorzeker, Heer, maar ach, mij blinde,
Zijn deze woorden vreemd en leeg van zin.
Waar kan mijn liefde Uwe liefde vinden?
En God sprak: 'In uw hart, mijn welbeminde,
Zoek mij aldaar, ook daar, daar woon ik in.'
Begeerte
Ik verlang naar jou,
meer dan naar voedsel of drank.
Met mijn hele lichaam,
mijn zintuigen
en hele hart
verlang ik ernaar
je te proeven.
Hoewel je overal te vinden bent,
ervaar ik je aanwezigheid
bovenal in mijn hart.
Vol hartstocht
wacht ik in stilte
op een teken,
een glimp
van jou.
donderdag 17 augustus 2010
Blijf thuis
Na de vier zomerdiensten rond het thema reizen hadden we afgelopen zondag nog een afsluitende dienst met als uitgangspunt het niet reizen, thuis blijven, al of niet vrijwillig. Iemand had me daar al een gedicht voor aangereikt, dat ik niet in de dienst gebruikt heb, maar hier wel wil laten lezen. Het is van Ido Keekstra (1909-1965), een dichter die meewerkte aan tijdschriften als 'Opwaartsche Wegen', 'De Werkplaats' en 'Ontmoeting', tijdschriften waarin dichters van christelijke signatuur publiceerden en elkaar ontmoetten.
Ga niet op reis
Ga niet op reis,
al wat gij zult ontmoeten
weegt, eenmaal halverwege,
als lood in uwe voeten.
En zwaarder met u mede
reist op de laatste route
het onvoltooid verleden.
Gij kunt het doel niet groeten,
tenslotte gaan uw schreden
niet meer op eigen voeten
maar op de scherpe snede
van ijzers die u ploegen
steeds dieper naar beneden
bij 't mineraal vermoeden
van aarde in uw leden
en 't perifere bloeden.
Wie in dit ongerede
zal u dan nog behoeden?
Wees in uw huis tevreden.
Ga niet op reis.
Dit gedicht krijgt een extra lading als je het verhaal van het tragische einde van deze dichter leest. Ik link hier naar de weblog van Rense Sinkgraven, daar vond ik ook het volgende gedicht, het laatste van Ido Keekstra, hij schreef het twaalf dagen voor zijn dood.
Ik ga op reis, ik weet niets van mijn terugkeer af
Misschien kom ik niet weer, geen mens kan zeggen:
tot morgen, want de dood kan dat weerleggen.
Spreek dit niet tegen, zwijg, want ieder vindt zijn graf.
Als ik moet sterven op mijn dagretour
denk aan de vleugels waarmee vogels vliegen
aan 't diepe blauw waarin de wolken wiegen
en aan de hemel boven deze vloer.
En niet aan mij, nimmer aan mij, die onverzoend
met 't leven en de dood, en in zichzelf verloren
de stemmen van het nabestaande niet kon horen
hoezeer hij zuchtte naar een woord van ...
dinsdag 27 juli 2010
Suze Naanje
Van Suzanne (zie mijn vorige stukje) naar Suze. In het begin van de dienst afgelopen zondag luisterden we naar de tekst van Suzanne, aan het eind zongen we op de melodie van Suze het lied 'Wonen overal nergens thuis'. Ik probeer altijd aan te geven waar tekst en melodie vandaan komen, zo stond er onder dit lied: Huub Oosterhuis/volksmelodie 'Suze Naanje'. Voor de dienst kreeg ik het wiegeliedje in origineel Gronings al te horen en ook na de dienst blijkt de titel van dit liedje van alles op te roepen. Hieronder de tekst en wie het wil horen zingen kan kiezen tussen het echtpaar Slager-Mulder en mevrouw Koevoets-van der Goorbergh, ze zijn het trouwens niet helemaal eens over de tekst. Meer Suze op de Nederlandse Liederenbank. Alida A. Faber-Hoving gebruikte het kinderliedje als titel voor haar boek over 'geboortetradities van luiermand tot wiegelied'. Van haar heb ik het plaatje hiernaast.
Suze Naanje, ik waige die,
wast toe wat groter din sluig ik die,
moar doe bist mie nog aal te klain,
'k mout die moar wat deur de vingers zain.
Suze Naanje doe.
zaterdag 24 juli 2010
No family
Morgen komt in de dienst de reis aan de orde die je maakt om de ander te ontmoeten. Ik had een gesprek met mensen die allemaal familieleden ver weg hebben wonen. Je wilt elkaar toch zien, ontmoeten, in levende lijve, dus je gaat op reis. Bij het zoeken naar muziek voor de dienst kwam ik het resultaat tegen van de samenwerking van Philip Glass en Suzanne Vega. Zij schreef de tekst, hij de muziek. Hieronder muziek en tekst, voor de dienst maakte ik mijn eigen vertaling.
If you had no name |
Als je geen naam had |
donderdag 15 juli 2010
Toerisme
Zoekend naar gedichten voor mijn zomerdiensten rond het thema reizen dacht ik iets gevonden te hebben. 'Toerisme' van Jotie T'Hooft, maar op de fiets bedacht ik ineens dat ik op het verkeerde been gezet was. Ik had vluchtig gelezen over natuurervaringen en ook had ik beelden van de vele schilderingen van het laatste oordeel die ik laatst in Italië zag. Het lijkt me echter waarschijnlijker dat het een gedicht is over verdovende, zo je wilt geestverruimende, middelen. Mooi beeld voor de harmonie die je daar eventueel in vindt: twee spiegels tegenover elkaar, die zichzelf eindeloos herhalen. Als een ervaring die zichzelf in de staart bijt. De laatste zin blijft een vruchtbare gedachte, die ook kan opkomen bij toerisme in de gebruikelijke zin. Alles gezien wat er te zien is, museum in, museum uit, van de Zuidpool tot de Noordkaap, 'en toch, er moet meer zijn'. Bij alle verhalen over reizen blijf ik toch onbewust en bewust zoeken naar dat meerdere. Ik denk dat Nijhoff er iets van verwoordt in zijn gedicht, dat begint met de beroemde zin: 'Ik ging naar Bommel om de brug te zien'. En wat hij toen te zien kreeg, we hebben het er zondag over.
Toerisme
We zagen de spraakwatervallen van Speed,
hangende tuinen, verre sterrebeelden
die toch nabijer dan medereizigers waren.
In een bus vol naasten bezochten we
en werden we bezocht door nachtmerries,
visioenen van heiligen en engelen
zongen ons doof en we ontwaakten
in hotel Harmonie.
Twee spiegels, tegenover elkaar geplaatst
boden ons een oneindig perspektief.
En toch, dacht ik, er moet meer zijn.
zaterdag 10 juli 2010
Leven
Dat ik liefheb
dat is mijn leven
laat mij de stem horen
die mijn liefde wekt
zodat ik leven zal.
Mein Gott, ich liebe dich von Herzen,
Mein ganzes Leben hangt dir an.
Lass mich doch dein Gebot erkennen
Und in Liebe so entbrennen,
Dass ich dich ewig lieben kann.
vrijdag 9 juli 2010
Beeld
Een nieuwe serie zomerdiensten, het idee kwam op door het verhaal van twee gemeenteleden, die helemaal weg zijn van Australië. Wat doet reizen allemaal met je en hoe integreer je dat in je gewone dagelijkse leven van thuis zijn? Een dergelijke serie is ook aanleiding om eens wat te proberen, iets met beeld deze keer, past mooi bij het thema reizen. Je komt dan ook bij andere mensen terecht die je kunnen helpen, handig zijn met beamer en fotobewerking. Boeiend om te proberen iets te zeggen met een beeld, we laten een aantal foto's zien met muziek erbij, ik ben benieuwd hoe onze bewerking overkomt. Wie het wil zien moet zondag in de Voorhof zijn.
woensdag 30 juni 2010
Jezus, de vrouw en het zand
Twee diensten gehad rond het wandkleed in onze kerk bij het verhaal van Johannes 8:1-11. Beroepsgelovigen brengen een vrouw bij Jezus, die op overspel betrapt zou zijn. Het gaat hen niet eens om de vrouw, maar om de reactie van Jezus. In eerste instantie reageert Jezus door zich, in mijn ogen, van de hele zaak te distantiëren door zich te bukken en in het zand te gaan schrijven. Gerrit Achterberg schreef een gedicht bij dit gebaar, we hebben het in de eerste dienst gelezen. 'Ga heen en luister, luister naar het lied' zegt Jezus in dit gedicht tegen de vrouw, een schitterende opening naar nieuwe dagen, naar een nieuw leven. Later kwam ik in 'Stille omgang' van Willem Barnard nog een gedicht bij dit verhaal tegen, ik geef het hieronder met zijn dichtersnaam, hoewel ik het in zijn 'Verzamelde Gedichten' niet meer terug vind. Barnard zegt dit gedicht als repliek geschreven te hebben, in hetzelfde jaar, 1947, dat het gedicht van Achterberg verscheen. Blijkbaar vindt hij in het gedicht zaken die weersproken moeten worden, u kunt de vergelijking zelf maken.
En Jezus schreef in 't zand Jezus schreef met Zijn vinger in het zand. De schriftgeleerden, die Hem aan de tand Zondig niet meer, zei Hij, ik oordeel niet. En Hij stond recht. De woorden lieten los waarmee zij heenging, als een kind zo licht. (Gerrit Achterberg) |
Jezus heeft in het zand geschreven Jezus heeft in het zand geschreven, - Hij gaf haar naast hem taal noch teken, Hij was geen schrijver die de knepen Alleen de aarde hield verband (Guillaume van der Graft) |
donderdag 17 juni 2010
Leegte
Na de eigenaardigheden van onze vakantiehuizen in de eerste en de derde week nog iets over ons huis van de tweede week. Dat er een zwembad bij was, was niet het meest bijzondere. Het eigene van dit zwembad was dat het leeg stond. De verhuurster kwam ons tegemoet met veel excuses, door de vele regen was het geplande onderhoud niet op tijd klaar. Voor ons was het niet zo'n punt, het zwembad van het eerste huis hadden we ook alleen maar naast gezeten, nu konden we er zelfs in zitten. Belangrijker vonden we dat het niet meer zou regenen, die wens werd vervuld. De stoeltjes op de foto gebruikten we wel om te mediteren, het was goed mediteren bij een leeg zwembad. Leegte is een belangrijk begrip in spiritualiteit, het verwijst naar openheid en onthecht zijn. We kunnen het begrip God niet leeg genoeg denken, zegt Barth, alleen als de onbekende wordt hij gekend. Dit kennen ligt voorbij de ons bekende mogelijkheden. Het is het mogelijk wordende onmogelijke. Toen we thuis kwamen wachtten ons drie telefoontjes en een mailtje van Happy Home, die ons moesten voorbereiden op een leeg zwembad.
donderdag 10 juni 2010
Perugino
Het huis van de derde week heette Perugino. In de loop van de week kwamen we er achter dat dat de naam was van één van de grote schilders van Umbrië, in het museum van Perugia zagen we vele werken van hem. 'Dan zal de Madonna boven de bank wel van hem zijn', die veronderstelling werd bevestigd in de museumboekhandel waar we 'onze' Madonna vonden in een boek over deze schilder. Het origineel hangt niet boven de bank maar in een bank, de 'Banca dell'Umbria'. We vonden het een heel mooie en bijzondere verbeelding van Maria met haar kind. Vaak kijkt Maria naar het kind, een enkele keer ontmoetten we een Maria die ons aankeek, deze Maria kijkt weg van haar kind. Dat neemt de indruk weg van een 'moeder met kind', het maakt de blik van Maria nog opener, ruimer, leger zo je wilt, dan gewoonlijk. De liefdevolle blik van Maria gaat niet uit naar haar kind, maar gaat uit naar de wereld waarin het licht gekomen is. Maria's blik verwijst naar de genade uit de hemel, in het licht waarvan we met haar mee kunnen kijken naar onszelf, naar de mensen om ons heen, naar de hele wereld. Dan word je soms boos, soms blij, soms verdrietig, maar het is en blijft een blik zonder oordeel, zonder claim, zonder hebberigheid.
woensdag 9 juni 2010
Hebreeën
We zijn er weer, ruim drie weken van huis geweest. Elke week in een ander vakantiehuis, handig om alle plaatsen te kunnen bezoeken, die we wilden zien. In het huis van de eerste week lag een gastenboekje, meedere Nederlanders waren er al geweest en hadden iets geschreven. Onder één van de bijdragen stond 'Hebreeën 13:24b-25'. 'Wat kan daar nu staan?' is de gedachte die dan opkomt. Ik moest het even opzoeken, als u het leest, weet u gelijk waar we geweest zijn.
De gelovigen uit Italië laten u groeten. Genade zij met u allen.
Of, zoals de Statenvertaling het zegt -na drie weken zijn we toch een beetje 'van Italië'-:
U groeten die van Italië zijn. De genade zij met u allen. Amen.
dinsdag 4 mei 2010
Nagedachtenis
DE DAGERAAD
and death shall be no more
Zwanen, steekt de trompet:
heft schallend het Halleel aan;
gij zijt de vogelaar ontgaan.
Zijn netten had hij gezet.
Hij heeft u geen veder geroofd:
op de grens van de nacht en de dag
vliegt gij, met bruisende slag,
met al morgenrood om het hoofd.
Ik ben op de aarde maar klein;
ik kan naar u opzien alleen,
die trekt, recht over mij heen,
naar de meren om vrij te zijn.
aan de nagedachtenis
van twee joodse vrienden,
gevallen in het verzet
1942
(Ida Gerhardt)
dinsdag 20 april 2010
Japans
De werkgroep Vorming en Toerusting organiseerde een mooie avond als afsluiting van het winterseizoen. Het zou een Japanse avond worden en dat werd het. Even slikken voor hen die, zoals ik, hun shot koffie 's avonds nodig denken te hebben, want er was geheel volgens de Japanse traditie alleen thee. Wel met een mooi taartje erbij waar een lotusbloempje op stond, eetbaar zelfs. We dronken het uit gewone kopjes, maar we kregen wel interessante informatie over Raku, het keramiek dat een grote rol speelt in de Japanse theeceremonie. Ook werd er een demonstratie Ikebana gegeven, Japanse bloemschikkunst, en maakten we zelf Haiku's, gedichten volgens de regels van een eeuwenoude Japanse traditie. Aan het eind kregen we ook nog iets sterkers dan thee met daarbij sushi hapjes. Dan denk je alles gehad te hebben en dan krijg je bij het weggaan ook nog een mooie Japanse wijsheid mee, ingerold in een stukje bamboe. Het maakte de avond helemaal af, ik geef u hieronder de wijsheid door, die ik meekreeg.
Afscheid nemen van de boze wereld
en op een lotusblad gaan zitten in het paradijs
is de droom van ieder die liefheeft.
dinsdag 13 april 2010
Exodus
Toen hield Mozes zijn arm boven de zee, en de HEER liet de zee terugwijken door gedurende de hele nacht een krachtige oostenwind te laten waaien. Hij veranderde de zee in droog land. Het water spleet, en zo konden de Israëlieten dwars door de zee gaan, over droog land; rechts en links van hen rees het water op als een muur. (Exodus 14:21-22)
Een gemeentelid stuurde me deze foto naar aanleiding van de lezing over de doortocht van Israël door de zee. Waarschijnlijk is hij gemaakt vanuit een Egyptische helicopter die op bevel van de Farao de achtervolging inzette. De foto maakt in ieder geval duidelijk dat op de weg van de exodus, de uittocht, eenrichtingsverkeer geldt. Wie eenmaal op de weg van de bevrijding is kan niet meer terug. Egypte, het angstland, ligt dan achter je. Er is nog genoeg reden voor angst, zie de golven om je heen, de helicopter boven je, de vrijheid voor je. Je weet wat je te verliezen hebt, maar juist dat houdt je op de been. Verlangen noemen we dat, gewekt verlangen door de stem van Mozes, door het verhaal over vrijheid, door de ervaring van het licht in de nacht, door het weten van de kracht in jezelf. 'Ga!', misschien is die vrachtwagen niet echt nodig, maar ja, Mozes had de verantwoordelijkheid voor een heel volk. Hoewel hij dan aan die vrachtwagen vol spullen ook niet genoeg zal hebben, dat zal wel blijken in de woestijn. Wie wil weten hoe ze het dan wel redden in de woestijn leze het verhaal van Exodus.
vrijdag 2 april 2010
Judas
Elk jaar komt het wel terug, het geflirt met Judas, de leerling van Jezus die hem verraadde. Een film, een boek, een evangelie, een passie, een toneelstuk, vanmorgen weer een heel stuk in de krant. Van dag tot dag worden er vrouwen verkracht, kinderen misbruikt, mensen en natuur opgeofferd aan gewin en genot. Judas is de werkelijkheid van alle dag, hij is onder ons en in ons, om een grijpstuiver wordt het leven en de vrijheid van mensen veracht en verraden. Zie het kwaad onder ogen, het is wat het is, vuil, stinkend, verderfelijk, mensonterend, goddeloos. Jezus laat het achter zich en gaat er dood aan, daar hoeft geen Judas voor in het leven geroepen te worden. Laten we ophouden met ons gespeculeer over de vraag waarvoor Jezus stierf, ophouden met ons gespeculeer over het nut van het kwaad, en hem volgen op de weg van de liefde. Laten we ophouden ons mooier voor te doen dan we zijn, dat hoeft niet, zegt het evangelie. Dat is een breuk in ons leven, een omkeer, een sterven. Daar hebben we Judas niet voor nodig, alleen Jezus, Jezus alleen. En we zullen opstaan, leven, ik weiger daarvoor het donker in me en rondom me te bedanken.
maandag 15 maart 2010
Ed Hoornik (2)
Johan Everaers reageerde op mijn stukje van 9 december jl. Ik schreef over het gedicht van Ed Hoornik, 'Te Middelharnis is een kind verdronken' en de recente aandacht die dit gedicht en de gebeurtenis die in dit gedicht beschreven wordt in Middelharnis kreeg. Op foto in het Eilanden Nieuws ziet u Johan Everaers bij de onthulling van de plaquette met het gedicht. Ik ben er intussen geweest, helaas had deze reporter geen camera bij zich, daarom hier een foto van de kade in vroeger jaren. Deze of een soortgelijke foto staat ook afgebeeld boven het gedicht dat nu op deze plaats te lezen is. Helemaal rechts het pand waar vroeger slager Markensteyn zijn winkel had, schuin daar tegenover staat nu de meerpaal met het gedicht. De heer Everaers meldt me dat er geen twijfel bestaat over zijn 'vondst', dat heb ik ook niet willen suggereren. Ik schreef: 'Het berichtje in de avondkrant denkt een onderzoeker teruggevonden te hebben in een krant van 1938.' Bij die zin stelde ik me het magische moment van de match voor, het verhaal dat het krantenartikel van 2009 beschrijft is er het gevolg van. Leuk dat ik iets te horen kreeg van deze 'onderzoeker', hij schreef me ook dat de eerste versie van het gedicht geschreven is in 1938 en in 1939 gepubliceerd werd in de bundel 'Steenen'. Later verscheen het met een kleine wijziging in 'Verzamelde Gedichten'. De hier geplaatste foto wordt beschreven op Flickr.
woensdag 24 februari 2010
De driehoek van Pascal
Een weetgierige lezer vroeg me wat de vetgedrukte getallen betekenen in het plaatje van de driehoek van Pascal, dat ik vorige week plaatste. Een vraag die mijn wiskundehart opent en ik dook in de fascinerende wereld van deze driehoek . Het lijkt zo simpel, je telt iedere keer twee naast elkaar staande getallen op en je zet de som er midden onder, zo ontstaat de driehoek van Pascal. Wonderlijk wat daarin dan te vinden blijkt te zijn. Wel eens gehoord van Fibonacci en het konijnenprobleem? De oplossing van het probleem is te vangen in een wiskundige formule, maar de mogelijke antwoorden staan al in de driehoek van Pascal. Zo zijn er veel meer wonderlijke reeksen te vinden in deze driehoek. De vetgedrukte getallen in het plaatje zijn de zogenaamde piramidegetallen. Bekijk de links om meer aan de weet te komen, veel plezier met de driehoek.
woensdag 17 februari 2010
Vuur
Laatst heb ik de driehoek van Pascal nog uitgelegd in de pauze van een vergadering, ik kwam een heel eind, en dat na 40 jaar. Deze week kwam Blaise Pascal opnieuw in mijn gedachten, bezig met het vuur dat Mozes in de woestijn ontmoette. Hij hoort daar de stem van de Heer, 'de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.' Pascal hoorde die stem ook, op 23 november 1654, 'van omstreeks half elf 's avonds tot ongeveer half een'. Hij schrijft er iets over op en draagt die woorden de rest van zijn leven met zich mee in de voering van zijn jas genaaid. Na zijn dood worden ze daar gevonden. Hier het begin van deze herinnering van Pascal aan zijn ontmoeting met de Eeuwige. Zo concreet is dat, zo in het leven, zo persoonlijk, zo eigen.
Vuur
God van Abraham, God van Izaak, God van Jacob,
niet van de filosofen en van de geleerden.
Zekerheid. Zekerheid. Bewustzijn. Vreugde. Vrede.
God van Jezus Christus.
Mijn God en uw God (Joh. 20:17).
Uw God zal mijn God zijn (Ruth).
Vergetelheid van de wereld en van alles, behalve God.
Alleen door de middelen die het evangelie aanwijst laat Hij zich vinden.
Grootheid van de menselijke ziel.
Rechtvaardige Vader, de wereld heeft U niet erkend, maar ik heb U erkend.
Vreugde, vreugde, vreugde, tranen van vreugde.
woensdag 10 februari 2010
Vreemd
Het eerste vertrek van Mozes uit Egypte leidt hem naar Midjan, we lezen het verhaal aanstaande zondag. In Midjan trouwt hij met Sippora, 'Zij bracht een zoon ter wereld, en Mozes noemde hem Gersom, ‘want,’ zei hij, ‘ik ben een vreemdeling geworden, ik woon in een land dat ik niet ken.’' (Exodus 2:22). Ik lees het als een opmaat naar het vervolg van het verhaal, het wegtrekken uit Egypte, uit de slavernij, naar de vrijheid van het beloofde land. Al voor Mozes staat op de heilige grond van het vuur in de woestijn is er blijkbaar een verlangen in hem dat zegt: 'hier ben je niet thuis, jouw bestemming ligt elders'. Het gedicht hieronder is van Achilles Mussche. De Griekse mythe vertelt over Leda die door Zeus bezocht werd in de gestalte van een zwaan. Dat heeft tal van meer of minder erotische schilderijen en gedichten opgeleverd. Het mooie van het gedicht van Mussche is dat hij het zinnelijke beeld gebruikt voor een spiritueel gebeuren, daarmee komt het in de buurt van de mystiek, waarin de mens door de liefde Gods overweldigd wordt. Ik kwam vandaag bij het gedicht omdat ik zocht op 'sneeuw', wat me nu treft is dat de vreemdelingschap van Mozes ook in dit gedicht verwoord wordt. De mens bij wie het eeuwig verlangen gewekt is voelt zich voorgoed een vreemde in de wereld van binding en verslaving, van afleiding en onechtheid.
Verlaten Leda
Onder zijn donzen aandrang zonk ik achterover,
tussen zijn sneeuwen vleugels zwevend meegevoerd
in zulk een tederheid, dat onder `t donker lover
ik hem verrukt herken: Zeus heeft mij aangeroerd.
Hoe heb ik, sedert, hier in heimwee neergelegen;
keert gij dan nooit meer weer, mijn witte wufte zwaan?
Hij zwiert en zwerft in avonturen allerwegen,
slechts in een speelse vlucht greep hij mij even aan.
Maar onvergetelijk. Wie door Olympiërshand
ééns werd geraakt, kan van de goden nooit genezen;
zelfs in mijn eigen paleis sta ik vervreemd aan de kant.
En toch als in een glorie. Waar of hij heen mag wezen,
hij lag hier aan mijn mond, ik heb hem niet verloren
en leef in zijn geheim, voor altijd uitverkoren.
woensdag 27 januari 2010
Namen
Op 27 januari 2010 is het vijfenzestig jaar geleden dat het vernietigingskamp Auschwitz werd bevrijd. Het is voor het Herinneringscentrum Kamp Westerbork reden voor een uniek monument: het hardop lezen van de namen van alle Joodse en Sinti en Roma-slachtoffers uit ons land.
Ik lees het op de site van het Herinneringscentrum. De 102.000 namen zijn gelezen, vanmiddag om twee uur de laatste. Aanstaande zondag beginnen we met een serie lezingen uit het bijbelboek Exodus, de eerste woorden: 'Dit zijn de namen'. Namen die onder dreigen te gaan onder het geweld van de Farao, dan zijn er ineens die twee andere namen, Sifra en Pua, twee vrouwen die hun rug rechten. Het lijkt niet veel uit te halen, maar in het verhaal vertegenwoordigen ze een ander weten dan het weten van de macht van de onderdrukker. Een weten dat mooi verwoord is in het liedje van Hanna Lam, dat we nog wel eens zingen als er een kind gedoopt wordt, maar ook wel bij het afscheid van een geliefd mens.
Jij hebt een naam, jij hebt een naam,
daar kom je zelf in voor,
een naam die met jou mee zal gaan
je hele leven door.
Jij hebt een naam waarin je woont,
waarin je veilig bent,
een naam die heel jouw leven kroont
op jou is afgestemd.
Jij bent een naam voor iedereen
die dicht bij jou wil staan,
en samen ben je niet alleen
zo kun je verder gaan.
Jij hebt een naam met een verhaal
dat uitgeschreven wordt
al gaandeweg in mensentaal
dicht bij de naam van God.
donderdag 21 januari 2010
Haïti
Afgelopen zondag hadden we dienst, zoals elke zondag. Op ieders netvlies Haïti. Op het rooster het verhaal van de bruiloft te Kana. 'De wijn is op', ja, de wijn is op. Zo waren we bij elkaar, in onze ontzetting, machteloosheid, sprakeloosheid, en deelden brood en wijn, dat was er. Een kerkdienst hoef je om niets te laten vervallen, een terugkerend deel is dat we zwijgend bij elkaar zijn, in ons niet-weten en ons niet-hebben. Op deze dag van de nodige actie voor Haïti een gedicht over zwijgen, het is van Hester Knibbe, het getal in de titel is het nummer van het graf van haar zoon.
Psalm 4631
In mijn nood roep ik
niet en tot niemand, ik zwijg; wie na zoveel
zand erover nog leeft, heeft het schreeuwen
verleerd. Laat de eik maar kreunen
en klagen, om blad dat voortijdig
te gronde, de tak van zijn stam
afgerukt, laat mij woordeloos
staan in zijn schaduw. Laat
mijn zwijgen niet klein en gebukt
zijn maar waardig hoog
en breed als de kroon van de boom
nu zijn wortels en stilte zich
hechten aan hem en alle gebed
wordt gesmoord in de aarde.
dinsdag 5 januari 2010
Paulus
Vreemd dat intelligente mensen zich serieus hebben gebogen over diens enge boodschap.
Paulus krijgt er weer eens van langs, vanmorgen in Trouw, dat hoort er blijkbaar bij in een tijd van ontluikende liefdes voor deze apostel van 2000 jaar geleden. Ook van mijn kant, mijn liefde voor Barth is de laatste jaren steeds meer tot een liefde voor Paulus geworden, de 'Brief aan de Romeinen' is toch in de eerste plaats het werk van laatstgenoemde. In dezelfde krant stond deze zomer een prachtig artikel van Willem Jan Otten over de apostel en zijn visie, waarin hij twee boeken aanbeval. Het eerste, 'Genie of misgeboorte' van Patrick Chatelion Counet, heb ik tijdens mijn vakantie gelezen. Mooi en helder is het, op een aangename manier geeft Counet allerlei oude en nieuwe wetenschappelijke inzichten over Paulus en zijn tijd door en bestrijdt zo zeven vooroordelen over hem. In het andere boek ben ik bezig, 'Paulus. De fundering van het universalisme' van Alain Badiou. Ik lees het met toenemend enthousiasme, mijn liefde voor de apostel wordt er zeer door aangevuurd. En dan nu het verhaal van vanmorgen, over Gerard Koolschijn die de brief aan de Romeinen opnieuw vertaald heeft. Volgens hem is Paulus de grondlegger van het christelijk fundamentalisme. Ik lees het interview, lees waartegen Koolschijn zich verzet en kan me daar wel in vinden. Ik begrijp wel dat hij de pest heeft aan mensen die zich voor hun eigen gelijk beroepen op een hogere instantie en zijn bezwaar tegen de afwijzing van het enige leven dat we hebben, in dienst van een hersenschim, kan ik me ook wel wat bij voorstellen. Alleen: ik lees dat niet bij Paulus, integendeel, als er nu iets het eigen gelijk relativeert is het wel Paulus' beroep op de Geest en het lichaam krijgt bij hem alle eer, een tempel noemt hij het, een tempel van de Heilige Geest. Een goede oprit naar een waarderend en beamend denken over dit leven, over lichaam en lust, arbeid en politiek.