In de serie van vier zomerdiensten rond de vier elementen ging de tweede dienst over water. In het eerste deel van deze dienst luisterden we naar een tekst uit Thailand, 'Ik wil het water zijn', daarna luisterden we naar een liedje van Elly en Rikkert, 'Open je oren en hoor'. Zie voor de teksten de orde van de dienst. We lazen uit Johannes 4.
Johannes 4:1-14
1 Toen Jezus hoorde dat aan de farizeeën verteld werd dat hij meer leerlingen maakte en er ook meer doopte dan Johannes 2 - Jezus doopte overigens niet zelf, zijn leerlingen deden dat -, 3 verliet hij Judea en ging weer naar Galilea. 4 Daarvoor moest hij door Samaria heen. 5 Zo kwam hij bij de Samaritaanse stad Sichar, dicht bij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had, 6 waar de Jakobsbron is. Jezus was vermoeid van de reis en ging bij de bron zitten; het was rond het middaguur. 7 Toen kwam er een Samaritaanse vrouw water putten. Jezus zei tegen haar: 'Geef mij wat te drinken.' 8 Zijn leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om eten te kopen. 9 De vrouw antwoordde: 'Hoe kunt u, als Jood, mij om drinken vragen? Ik ben immers een Samaritaanse!' Joden gaan namelijk niet met Samaritanen om. 10 Jezus zei tegen haar: 'Als u wist wat God wil geven, en wie het is die u om water vraagt, zou u hém erom vragen en dan zou hij u levend water geven.' 11 'Maar heer,' zei de vrouw, 'u hebt geen emmer, en de put is diep - waar wilt u dan levend water vandaan halen? 12 U kunt toch niet meer dan Jakob, onze voorvader? Hij heeft ons die put gegeven en er zelf nog uit gedronken, en ook zijn zonen en zijn vee.' 13 'Iedereen die dit water drinkt zal weer dorst krijgen,' zei Jezus, 14 'maar wie het water drinkt dat ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen. Het water dat ik geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft.'
Ik wil het water zijn,
dat in de rivieren klatert
en door het oerwoud stroomt,
dat velden vruchtbaar maakt
en overal leven brengt.
Het antwoord van het evangelie hierop geef ik vandaag kort weer door te zeggen: je bent het water, jullie zijn het water. De waarheid van 'Ik ben gemaakt van water'.
Maar laten we niet te veel in het beeld blijven hangen. Het beeld heeft me bij een verhaal gebracht. Het verhaal van de vrouw bij de bron. De bron, in het bijbelse land minstens zo essentieel als het over water gaat als de regen. Het verhaal begint met de vraag van Jezus aan de vrouw: 'Geef mij wat te drinken'. Dan ontspint zich een gesprek over levend water, het water dat, zo zegt Jezus, 'ik u geef'. Wat is dat, het water dat Jezus geeft? Waar staat dat symbool voor, laten we eens wat dingen verzamelen. Hoop, rust, kracht, genade, vergeving, leven enzovoort.
Dat krijg je dus te drinken van Jezus, dat drink je, drink je in. Jezus geeft geen handige hulpmiddeltjes, geen gereedschap om ons leven te verbeteren of om het leven aan te kunnen, het zijn geen psychologische handigheidjes. Het gaat erom dat je dat wat Jezus geeft drinkt, deel van jezelf laat worden. Het is hier niet 'je bent wat je eet', maar 'je bent wat je drinkt'. Dat is het aanbod van Jezus, 'open je, open je oren, je ogen, je hart, je handen', laat het in je komen. Daar is soms best lef voor nodig, dat kan een hele stap zijn. Als de gave rust is, is het soms veel gemakkelijker om in je onrust te blijven, voortdurend bezig zijn, werken aan jezelf en je situatie. Of als de gave vergeving is, kan het veel aantrekkelijker lijken om in je wrok en beschuldiging door te leven, vol te houden dat je ellende aan de ander ligt. Hoe dan ook, de gaven van Jezus zijn bedoeld om gedronken te worden.
Hoe het dan verder gaat onttrekt zich aan onze controle, dat wat je indrinkt doet iets in je. In de woorden van Jezus: het wordt tot een bron in jezelf, water tot eeuwig leven.
Het beeld van de stroom, van stroming komt op. Een stroom waarin ik me mee laat voeren, waar ik zelfs deel van word. De stroom komt op me af, ik drink in, het wordt in me tot bron en de stroom gaat verder. Een stroom die door mij heen gaat, waar ik een deel van word.
In gesprekken, persoonlijk en in groepen, komt nogal eens ter sprake hoe we het evangelie door kunnen geven. Hoe kunnen we anderen, en met name over de jeugd gaat het dan vaak, betrekken bij het evangelie. Daar is veel over te zeggen, maar hier hebben we het principe: wees deel van de stroom.
In de krant konden we lezen over het boek van Karl Barth dat vertaald is, zijn woorden bij de brief van Paulus aan de Romeinen. Karl Barth, grootste theoloog van de twintigste eeuw, hij schreef het boek aan het begin van die eeuw, hij heeft daarna nog een rij boek geschreven die ik met mijn armen niet kan omvatten. En van al die boeken is de veronderstelling dat de waarheid gelegen is in het evangelie van Jezus Christus. Op één van de eerste bladzijden van zijn Romeinenbrief schrijft hij dat we de ander niet hoeven te overtuigen van de waarheid van het evangelie, dat doet het evangelie zelf wel. Het enige dat wij hoeven te doen, en dat eigenlijk vanzelf gaat als we het evangelie indrinken, is de trouw van God te weerspiegelen. Gods trouw en ons geloof zijn twee kanten van hetzelfde. Dat weerspiegelen is geen abstracte zaak, dat gebeurt altijd in de concrete situatie van ons leven. In een situatie van onvrijheid door omstandigheden die je vast zetten vrij leven. In een situatie dat je als kerk je zorgen maakt om je eigen voortbestaan op een angstvrije manier open en gastvrij zijn. We hoeven niemand te overtuigen, onze buren niet, onze partner niet, onze kinderen niet, de jeugd niet. We hoeven alleen te drinken van de bron en te laten zien wat er dan in ons en met ons gebeurt. Dat is het grootste geschenk wat je de ander kunt geven. Als bevrijd mens vrij te leven, als geïnspireerd mens je inspiratie te leven, als vergeven mens de vergeving te leven. En dat is dan niet jouw vrijheid, jouw inspiratie, jouw vergeving, die je leeft, het is Gods vrijheid, inspiratie, vergeving, het is de stroom waar je deel van wordt.
Door het beeld van de stroming ga ik weer beter begrijpen dat het evangelie, de kracht van God, zoals Paulus het noemt, door de wereld en door de geschiedenis gaat: als een stromende rivier en wij mensen kunnen deel uitmaken van die stroom. Het is gaat niet om een stroom binnen in ons, een soort bloedsomloop, het gaat om een stroom die van Godswege op ons afkomt en waarin wij meebewegen.
Als ik dat zo zeg besef ik dat het onderscheid tussen geven en ontvangen vervaagt. Terugkijkend nar het verhaal zien we een vrouw bij een bron die een vraag hoort: geef mij wat te drinken. Op het eerste gehoor lees je daar overheen, Jezus is de gever niet de ontvanger. Maar het is meer dan een opstapje voor een gesprek. De vrouw antwoordt met een tegenwerping, 'hoe kunt u als Jood, mij, een Samaritaanse, om drinken vragen'. De vraag past niet in haar ideeën over haarzelf en de verhoudingen in de wereld, zoals de vraag voor ons niet past in onze ideeën over Jezus en ons. Zij en wij horen de vraag niet eens, zolang we in onze eigen beelden vast zitten. Daarvoor is nodig om uit die beelden te stappen, de opgebouwde ideeën hoe de dingen zijn en gaan.
Met een grote sprong gezegd: Jezus vraagt haar zichzelf te geven. En dat doe je door te ontvangen, 'open je oren, je ogen, je hart, je handen, om te ontvangen de regen, de zegen, het leven, die Jezus je geeft'.
'Geef mij wat te drinken', de vraag die Jezus hier stelt is de vraag die uit alles en iedereen op ons afkomt. Het is de dorst, de nood, de ellende van de wereld, het is de dorst, de kaalheid, de dorheid, van je eigen hart. 'Geef mij wat te drinken', het antwoord is jezelf te geven, water te zijn, door zelf te drinken van de bron en tot bron te worden, door deel te zijn van de stroom. 'Geef mij wat te drinken', stap uit je zelfgemaakte gevangenis, open je in een ontvangende houding, en word zo tot een gift.
'Geef mij wat te drinken'……
'Ik wil het water zijn
de bron van alle leven.'
Jan de Korte