Ik heb je nooit een rozentuin beloofd.
Ik heb alleen gezegd dat er een tuin zou komen.
Maar jij, jij had alleen maar rozen in je hoofd
en daar bleef je over malen en van dromen.
Je hebt het onkruid niet gewild en niet gezien
hoe ik me in het zweet heb staan te spitten,
hoe ik me aan de keien en de modder heb vertild.
Jij bleef maar aan die vage rozen klitten.
En toen na jaren zwoegen die tuin er eindelijk was,
maar als een ruw stuk grond om samen te ontginnen,
zei jij alleen: Een tuin? Maar waar zijn alle rozen nou?
En je liep weg en ging teleurgesteld naar binnen.
Maar ik heb je nooit een rozentuin beloofd.
Ik heb alleen gezegd dat er een tuin zou komen.
En zolang jij rond blijft lopen met die rozen in je hoofd,
moet je maar weg. En je hoeft pas terug te komen
als je ook kunt houden van het onkruid en de stenen,
en de schrammen en de blaren op mijn handen ook wilt zien.
En als alles mee wil zitten en we blijven samen spitten,
groeit er op een dag één roos... misschien.
Paul van Vliet