Advent is de tijd van verwachting, we vieren in de kerk dan de verwachting, de meest hooggestemde verwachting, vanuit het diepste duister naar het volledige licht, daar waar de dood voor ogen is, de verwachting van het leven.
Daardoorheen loopt onze kerstverwachting, misschien met een beetje angst dat het tegen zal vallen, de gezelligheid, het eten, de ontmoeting, de vieringen. Maar het kan ook meevallen, vooral als we er niet te veel van verwachten.
Die dagelijkse verwachtingen komen we ook tegen in het verhaal over Noömi, Elimelech en hun kinderen. Naar een ander land getrokken in de hoop op een betere toekomst en later klinkt de verwachting naar een man, een huwelijk, kinderen. Dezelfde verwachting wordt gespiegeld getoond in de lege handen van Noömi, die in haar bitterheid doet denken aan onze lege handen.
Mooi, bitter, stil, zo is de loop van het leven, schreef de theoloog Miskotte in zijn verhaal over Ruth. Eerst is het leven beloftevol, vol verwachting, dan dreigt met de teleurstelling de bitterheid en tenslotte zijn we stil. Het is de realiteit van het leven, bij de één een beetje meer, bij de ander een beetje minder, ieder krijgt er zijn deel van, Elimelech, Noömi, hun zonen, Orpa.

Bij één is het anders, daar is een breuk in het patroon, daar gaat een knop om, het licht aan. Het is Ruth, de andere schoondochter. In het verhaal is het moment daar waar ze zegt: 'Vraag me toch niet langer u te verlaten en terug te gaan, weg van u.'
Niet weg van u, Ruth blijft.
Het woord trouw klinkt hier te gewoon, alsof Ruth ooit iets beloofd heeft, een belofte waar ze nu trouw aan blijft, als een trouwbelofte, waarbij we eeuwige trouw beloven.
'Vraag me toch niet langer u te verlaten en terug te gaan, weg van u.' Hier, op dit moment, vindt de breuk plaats, de breuk met het gewone, ook haar gewone, gewende leven. Orpa gaat terug, het is haar gegund, maar het is wel het gewone patroon. Mensen lopen met elkaar op en wenden zich weer van elkaar af. Wie zich de situatie voorstelt, Orpa tegenover haar depressieve schoonmoeder, kan zich wel enige opluchting voorstellen bij haar terugweg, naast alle verdriet om het afscheid. Zo is het leven. En voor Ruth lag de kans er ook, Noömi formuleert haar verwachtingen: een man, een huwelijk, een kind, het kan tegenvallen, maar ook meevallen, denk toch aan jezelf.

Er wordt geen beroep gedaan op Ruth, Noömi staat met lege handen tegenover haar, ze vraagt niets, ze heeft ook niets te bieden, er is geen enkel perspectief. In zekere zin is het ook de leegte van Ruth zelf, ook zij heeft het een en ander meegemaakt, ook zij staat met lege handen.
Iemand vertelde me dat ze in het verhaal Noömi hoorde zeggen: 'mijn dochters'. Misschien heeft Ruth het ook gehoord, hoewel het verder voor haar niet ingevuld werd: 'mijn dochter'.
Orpa ging, Ruth bleef.
Voor haar was er niemand. Daar had ze op kunnen wachten, daar had ze voor terug kunnen gaan, wie weet zou er iemand komen voor haar.
Zo kunnen we een leven lang wachten op die ene, die voor jou zorgt, die jouw problemen oplost, die jouw verdriet draagt, die jouw eenzaamheid opheft.
Een leven lang afwachten, het kan meevallen, het kan tegenvallen. En als het meevalt prijzen we ons gelukkig, en misschien ook wel gelovig, dan danken we God. En als het tegenvalt, dan zijn we teleurgesteld en raken mogelijk gefrustreerd en verbitterd, om die ene die er niet was, of die ons verliet, om ons niet gezien worden, door de mensen niet en door God ook niet. Verbitterd, omdat ook God het af laat weten.

Ruth heeft de leegte voor zich en een klein kansje achter zich. Ze laat zich niet afleiden, 'mijn dochter', wat Noömi er mee bedoelt doet er niet toe, in haar weerklinkt het. Hammarskjold schreef in zijn dagboek: waar de vraag vandaan kwam, weet ik niet, wie de vraag stelde, kan ik niet zeggen, maar ik weet dat ik op een dag antwoord gaf en ja zei.

Zo zegt Ruth ja, hier ben ik, ze blijft, niet weg van Noömi. Ze staat tegenover haar leegte, de leegte van Noömi, de leegte van een wereld zonder perspectief en ze laat zich niet afleiden. Zo geeft zij zich, ten volle. Het gaat niet om een goede daad, het zorgen voor een depressieve moeder, het gaat om haar blijven, haar leven, het is haar weg, haar spoor, haar warmte, haar beweging, haar hartstocht. Haar verhaal krijgt dan ook de trekken van een liefdesverhaal, dat is het hier eigenlijk al: zij blijft in contact met Noömi, zij is bereid tot liefde.

Mijn dochter, mijn zoon, ik hoor die stem vandaag in de keuze van Ruth en door Ruth hoor ik die stem deze adventszondag in de komst van Jezus, in de woorden en daden van Hem, die zich gaf, hier ben ik, bereid tot liefde.
Die stem, mijn zoon, mijn dochter, benoemt ons, u en mij tot die ene en -in plaats van een leven lang wachten op zijn of haar komst- maakt mij tot die ene die in vertrouwen zijn eigen weg gaat. Die stem doet ons staan tegenover de leegte in al onze volheid, met de rijkdom van ons leven, een rijkdom die wakker geroepen wordt door een stem die zegt: mijn dochter, mijn zoon.
Die stem is de liefde van God, die groter is dan onszelf en ons op eigen wegen van liefde zet.
En zo gaat ons leven verder als een liefdesverhaal.
Amen.


Jan de Korte