Wees gegroet, Tamar, gij zijt een gezegende onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot.
Zo besluit Nico ter Linden zijn vertelling over Tamar.
We hebben haar verhaal gehoord, een verhaal uit het leven gegrepen. Tegelijk is het ook vervreemdend. Dat zwagerhuwelijk, het zou onze instelling niet zijn, en om als hoer langs de weg te gaan zitten, omdat je een kind wilt, gaat wel erg ver. Het verhaal roept misschien ook wel afschuw op, als je bedenkt wat Tamar daar langs de weg moest ondergaan, afschuw om wat vele, vele vrouwen met haar moesten en moeten ondergaan. Hoe algemeen geaccepteerd ook, als je door een steegje in Amsterdam loopt en je kijkt opzij en ziet daar een mooi, aardig meisje in haar ondergoed heel vriendelijk naar je lachen, dan kan er een gevoel van walging opkomen bij mannen als Juda.
Als we het verhaal dan nog eens lezen, opnieuw beluisteren, dan gaan we twee sferen ontdekken, de sfeer rond Juda en de sfeer rond Tamar.
Angst en bijgeloof, die woorden vielen al in de inleiding op de lezing. De sfeer rond Juda.
Zo op het oog is het een ondernemende man, die een bestaan opbouwt, die zijn zorgen heeft, een man met een schapenbedrijf en de feesten die daar bijhoren. Ook wel met enig karakter, getuige zijn reactie op het bekend worden van zijn omgang met Tamar.
Het gaat er ook niet om om Juda zwart te maken. Maar in zijn zorg om zijn derde zoon komt hij gevaarlijk dicht bij het heidendom waartussen hij is gaan wonen. Omdat twee zonen eerder gestorven zijn is hij bang voor het leven van de derde en hij is niet van plan om die op te offeren aan de plicht van het zwagerhuwelijk. Angst en bijgeloof, Juda laat zich lam slaan door wat er gebeurd is, begrijpelijk, maar op die manier laat hij zich regeren door het verleden. Zijn handelen wordt in de loop van het verhaal ontmaskerd als een stil zetten van de voortgang, hij sluit zich af voor de toekomst, houden wat je hebt en je niet meer verroeren.
We zagen het al bij Onan die zijn zaad op de grond laat komen. Wat Onan doet is geen zelfbevrediging, het is wel eigenbelang. Onan sluit de grenzen, geen vreemde meeëters, we hebben genoeg aan onszelf.
Die wereld en die houding in ons, wordt getekend in Juda: de wereld en de houding van eigenbelang, van angst en bijgeloof, van het zoeken naar zekerheid, van het uitsluiten van nieuwe dagen en nieuwe dingen.
In die wereld verschijnt Tamar, dadelpalm is haar naam. Ze laat zich niet terugduwen in het ouderlijk huis, 'jammer meisje, maar het is niet anders, jouw kans is voorbij', ze berust niet in de ontstane situatie, ze legt zich niet naar bij haar lot. Tamar kiest de weg naar voren, met inzet van alles wat ze heeft, haar lichaam, haar vrouw-zijn, haar vruchtbaarheid, ze zet alles op het spel tot en met haar leven.
Tegenover het eigenbelang, de angst en het bijgeloof van Juda staat de moed, het geloof, het vertrouwen van Tamar. In de wereld van Juda stokt de zegen, komt de tijd stil te staan. Zijn wereld, en daarbij denken we ook aan onze wereld, lijkt wel heel dynamisch, heel ondernemend, heel vernieuwend, maar de hekken worden steeds hoger, de tegenstellingen steeds groter en de chaos steeds heftiger.
Het verhaal is wel duidelijk, de toekomst is gewaarborgd bij de inzet en het vertrouwen van Tamar, uit haar wordt de toekomst geboren. En bij de geboorte van haar tweeling wordt het oude geheim van Israël opnieuw verbeeld: de laatsten worden de eersten, de eersten worden de laatsten.
We besluiten zoals Nico ter Linden zijn verhaal besluit:
Eeuwen later zal dit geheim van Israël het grote thema worden in de prediking van nog een zoon van Juda: 'Vele laatsten zullen de eersten zijn, en wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden.'
En wanneer na diens dood een van zijn vrienden, Mattheüs, zich achter zijn schrijftafel zet om het verhaal van deze messiaanse mens te vertellen, en hij van Abraham af de namen van de mannen noemt uit wie hij is geboren, dan zal het voor het eerst in de geschiedenis zijn dat een vrouw in een lijst van geslachten wordt vermeld: Tamar.
Wees gegroet, Tamar, gij zijt een gezegende onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot.
Amen.
Jan de Korte