'Stromen verheffen, o Here,
stromen verheffen hun stem,
stromen verheffen hun bruisen.'

We hebben de afgelopen dagen de stromen weer kunnen zien in de vele herdenkingsprogramma's.
Verwoestende stromen, het is iedere keer dat je het ziet, weer onvoorstelbaar. Onvoorstelbaar ook de ontreddering, de angst, de schok bij het zien van de realiteit.
Alles te verliezen in één nacht, je spullen, je huis, je naasten, je eigen leven. En niet in het minst: je gevoel van veiligheid, in die nacht hebben velen gezien dat alles kan schuiven, dat alles kan vergaan, dat niets vast staat.

'boven de stemmen van vele wateren,
van de geweldige baren der zee,
is de Here geweldig in den hoge.'

Dat is nogal wat, om te zeggen, zelfs om te zingen, tegenover die stromen, die toen en nu het bestaan van mensen ondermijnen.
Het verhaal gaat dat een vader van een gezin in die nacht het water binnen zag komen en de Bijbel pakte. Hij zou deze woorden gelezen hebben.
Een onwaarschijnlijk verhaal, maar het maakt wel de vraag dringend: wat heb je aan deze woorden als de verwoestende stromen door je leven gaan?
Wat betekent dat dan, dat de Here God boven de stromen staat, geweldig in den hoge?

Misschien helpt het te bedenken dat deze psalm geschreven is vanuit een dergelijke bedreigende situatie. In de overrompelende werkelijkheid van het duister, van het oppermachtige water. Alles valt je uit handen, niets blijft er over dan de angst en de wanhoop. De hele basis onder je bestaan is weg.
In die leegte klinken dan plotseling deze woorden, bij wijze van spreken uit de mond van die vader die het water binnen ziet golven. En dan zijn het nieuwe woorden, geen woorden die hij gisteren al kende, geen woorden die we een ander voor kunnen zeggen, maar nieuwe woorden.

Bij de voorbereiding van deze dienst kwamen we als vanzelf uit bij liederen over de schepping. Ik begrijp dat nu beter, bij het overdenken van deze psalm tegenover deze situatie. Het gaat niet over een vlot dat uit de hemel valt, over een extra helikopter, over een nieuw geneesmiddel tegen de dodelijke ziekte die je velt. Nee, het gaat over de een nieuwe schepping.
Waar alles weg is, komt toch weer hoop en vertrouwen. Hoop en vertrouwen, dat niet de verwoesting het laatste is, maar dat er ook hier een weg vooruit is.

In de nacht dat je het water binnen ziet komen, in je leven, letterlijk of figuurlijk, heb je wel iets anders te doen dat in de Bijbel te lezen. Je probeert het vege lijf te redden, van je naasten en van jezelf. Maar al heel snel komt de vraag: wat nu, daar zit je dan onder je dekentje op een boerenkar of op de rest van een dijkje, de grond letterlijk of figuurlijk onder je voeten weggespoeld.

'boven de stemmen van vele wateren,
van de geweldige baren der zee,
is de Here geweldig in den hoge.'

Het is een belijdenis, een belijdenis van hoop op een nieuwe schepping, want onze eigen wereld is vergaan, alles is voorbij.
Die nieuwe schepping lijkt ver weg, maar soms is dat nu ook weer niet zo ver weg. In een gedicht over de watersnood zegt Van der Graft:

                                    'Al wie doet,
wat God de Vader in de aanvang deed
maakt zich voor zijn voleindiging gereed.
Alwie werkt aan de dijk om te behouden
het vaderland, alwie er niet vertrouwde
het slaaplied dat de grote moeder zong,
alwie haar wilde waterschoot bedwong
en haar de grenslijn voorschrijft van een dijk,
die lijkt op God en bouwt zijn koninkrijk!

Matrozen en dijkwerkers en piloten
en allen die te hulp zijn toegeschoten,
wij waren God vergeten, maar gij hebt
zijn wezen dat van ons was weggeëbd,
in deze springvloed en doorweekte nacht
zonder nadenken ons nabij gebracht.'

Zo zijn we bij ons thema van vanmorgen, aangedragen door het werelddiakonaat. Een ramp raakt ons allemaal. Het ene moment overvallen de stromen ons, het andere moment zijn wij de vrouwen en de mannen die helpen en redden en verzorgen, zijn wij de mannen en de vrouwen van de opvang, van het Rode Kruis, van de wederopbouw.
De aanleiding kan zijn dat we ooit zelf geholpen zijn, maar het motief om te helpen is dat we ons zo scharen in de beweging van Gods scheppende daden. Er niet in geloven dat er geen hoop is voor de mensen in bijvoorbeeld Bangladesh, maar meewerken aan een nieuw bestaan.

Het motief om te helpen is het geloof in Gods scheppende kracht. Persoonlijk vertaald is dat motief: de vreugde om het bestaan, het bestaan dat we ontvangen uit Gods hand. Uit het water heeft hij ons geroepen, getrokken, geleid, doen opstaan tot de hoop. En die hoop geldt niet alleen onszelf, maar ook onze naasten, dichtbij en veraf.

In Marcus hebben we gelezen over Jezus die reddend rondging in Kapernaüm. Ook Hij is scheppend in zijn reddingen, Hij geeft de mensen een nieuw bestaan. Daar in Kapernaüm zegt Jezus: Laten wij elders heengaan, naar de naburige plaatsen, opdat ik ook daar predike. En ook daar dreef Hij de boze geesten uit.
Zo doen wij als wij niet alleen werken aan onze eigen dijken, aan ons eigen bestaan, maar geven en zo mensen ver weg helpen het vege lijf te redden in de nachten die er zijn en die er komen, helpen de voeten droog te houden, helpen een nieuw bestaan op te bouwen.

Jan de Korte